Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 7

Zittingsperiode en beëindiging lidmaatschap

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling ReinUnie 2010, derde wijziging

1.. De leden van het bestuur worden aangewezen voor een periode gelijk aan de benoemingsperiode van het college dat hen heeft aangewezen. 2.. De colleges beslissen aan het begin van elke zittingsperiode van het college, uiterlijk in de vergadering volgend op die waarin de benoeming van wethouders plaatsvindt, over de aanwijzing en de eventuele vervanging/ waarneming. 3.. De leden van het bestuur treden af op de dag waarop de benoemingsperiode van het college dat het lid heeft aangewezen, eindigt. 4.. Het lidmaatschap van de leden die door de colleges van de gemeenten zijn aangewezen, eindigt tevens bij tussentijdse beëindiging van het wethouderschap of het burgemeesterschap. 5.. Een persoon waarvan het lidmaatschap als gevolg van het derde of vierde lid is geëindigd, kan opnieuw worden aangewezen. 6.. Het aanwijzen ter vervulling van plaatsen die door ontslag, overlijden of om andere reden openvallen, vindt plaats binnen één maand na dat openvallen. 7.. Het lid dat ter vervulling van een buiten de gewone tijd van aftreden opengevallen plaats tot lid van het bestuur is aangewezen, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden. 8.. De leden van het bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stellen zij de voorzitter en het college dat hen heeft aangewezen, op de hoogte. Het ontslag is onherroepelijk. De leden van het bestuur die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap, totdat onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.

Rechtspraak bij dit artikel