Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1 › Paragraaf

Artikel 3

Algemene weigeringsgronden (artikel 2.10.5 HVV)

Onderdeel van Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024

Bij alle categorieën van urgentie gelden de weigeringsgronden uit artikel 2.10.5 van de HVV. De aanvraag wordt getoetst aan alle weigeringsgronden. Indien één of meerdere van deze weigeringsgronden van toepassing zijn, wordt de aanvraag geweigerd. De weigeringsgronden worden hieronder uitgewerkt en worden beoordeeld aan de hand van de onderstaande voorwaarden en criteria. Overigens is de uitwerking per weigeringsgrond niet uitputtend bedoeld (niet limitatief). Ad a) De aanvrager is geen 18 jaar of ouder, of heeft geen Nederlandse nationaliteit of vreemdelingenstatus. Met het bezit van de vreemdelingenstatus wordt bedoeld dat de aanvrager en alle leden van diens huishouden rechtmatig in Nederland verblijven zoals is bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l van de Vreemdelingenwet 2000; De verantwoordelijkheid voor opvang van vreemdelingen zonder verblijfstatus ligt bij de Dienst Terugkeer en Vertrek, uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Ad b) Géén urgent huisvestingsprobleem. Indien zich uitsluitend één of een combinatie van de onderstaande problemen voordoet, is er géén urgent huisvestingsprobleem: de huidige woning verkeert in slechte staat of is van onvoldoende kwaliteit, tenzij de woning onbewoonbaar is verklaard wegens bijvoorbeeld brand of instorting; de huidige woning is te klein of te groot voor het huishouden van de aanvrager; de aanvrager kan door medische klachten de huidige woning of daarbij behorende tuin niet meer zelf onderhouden; de aanvrager wil of moet vanwege zijn werk verhuizen; de aanvrager woont, met of zonder kinderen, bij een of meerdere andere huishoudens in; de aanvrager of diens partner is zwanger; de aanvrager is gescheiden of de samenwonings- of partnerrelatie is verbroken maar woont nog met de (ex-)partner in één woning; de aanvrager wordt uit detentie vrijgelaten; de aanvrager heeft een tijdelijke huurovereenkomst; de aanvrager woont in onderhuur; de aanvrager wil een woning met voldoende ruimte in het kader van co-ouderschap of bezoekregeling voor kinderen na scheiding of verbroken partnerschap, terwijl de kinderen elders onderdak hebben. Ad c) Het huisvestingsprobleem was redelijkerwijs op te lossen of te voorkomen. Van een dergelijk probleem is in ieder geval sprake als de aanvrager: niet alles wat redelijkerwijs tot diens mogelijkheden behoort heeft gedaan om het huisvestingsprobleem te voorkomen of op te lossen; een gezin heeft gesticht of gaat stichten zonder over daartoe passende woonruimte te beschikken; een passende reguliere woning aangeboden kreeg in de periode dat aannemelijk werd dat hij een huisvestingsprobleem zou gaan krijgen, tot een jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag van een urgentieverklaring; zelf de financiële middelen heeft om het huisvestingsprobleem op te lossen; 65 jaar of ouder is, waardoor de aanvrager een ouderen- of seniorenwoning kan krijgen; een huishouden van maximaal 3 personen heeft en 13 wachtpunten of meer; een huishouden van 4 personen of meer heeft en 15 wachtpunten of meer; of zich niet maximaal heeft ingespannen om zoekpunten te verkrijgen. In algemene zin geldt dat het huisvestingsprobleem van de aanvrager dient te zijn ontstaan uit een overmachtssituatie om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentieverklaring. Volledigheidshalve wordt daarboven opgemerkt dat sociale of medische problemen geen uitzondering geven op weigeringsgrond c. Ad d) Het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een voorliggende voorziening. Met ‘voorliggende voorzieningen’ worden onder meer bedoeld: de publieke voorzieningen op het gebied van zorg, hulp en ondersteuning zoals aanleg van een traplift of andere woningaanpassingen die de gemeente in het kader van de WMO mogelijk maakt, hulp bij het huishouden of vervoersvoorzieningen, wijkverpleging, thuiszorg, maatschappelijk werk, schuldhulpverlening, geestelijke gezondheidszorg of jeugdhulp; het ondernemen van eigen juridische stappen, bijvoorbeeld het starten van een civiele procedure tegen de verhuurder of de buren van de aanvrager; of andere voorzieningen en maatregelen die hier niet zijn beschreven of die vermeld staan in de regels per urgentiecategorie. Ad e) Het huisvestingsprobleem is het gevolg van verwijtbaar doen of nalaten van aanvrager of een lid van zijn huishouden, hiervan is in ieder geval sprake: bij woninguitzetting in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag, wegens huurschuld, overlast, fraude of criminele activiteiten, veroorzaakt door de aanvrager of een lid van diens huishouden; als de aanvrager in de gemeente is komen wonen zonder te zorgen voor adequate woonruimte voor zichzelf en eventuele andere leden van zijn of haar huishouden, zoals met of zonder kinderen gaan inwonen bij een ander huishouden; of als de aanvrager in detentie is opgenomen en na vrijlating geen huisvesting kan vinden. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat sociale of medische problemen geen uitzondering geven op weigeringsgrond e. Ad f) Het probleem kan niet of onvoldoende opgelost worden met verhuizing naar een andere woonruimte, waarmee bedoeld wordt dat de aanvrager wegens problemen of omstandigheden meer gebaat is bij inzet van een voorliggende voorziening of medische zorg, dan met een andere woning. Een voorliggende voorziening behelst alle voorzieningen zoals opgenomen in Ad d. Ad g) Minder dan 2 jaar geleden een urgentieverklaring is vervallen of werd ingetrokken, waarmee bedoeld wordt dat een weigering volgt als korter dan 2 jaar voorafgaand aan het moment van indienen van de aanvraag een urgentie van de aanvrager of lid van diens huishouden: verviel; of werd ingetrokken. Ad h) De aanvrager is niet in staat om in zijn bestaan of in de kosten van bewoning van een zelfstandige woonruimte te voorzien, waarvan sprake is als de aanvrager: onvoldoende inkomen uit arbeid, onderneming of uitkering heeft, rekening houdend met eventuele aflossingsverplichtingen; of schulden heeft die niet zijn geregeld zoals is beschreven in artikel 4 ‘Schulden; aanvullende voorwaarden’ verderop in deze Nadere regel. Ad i) De aanvrager woont minder dan vier jaar onafgebroken in de gemeente waar urgentie wordt aangevraagd, waarbij geldt dat: deze eis zowel voor de aanvrager als diens huishouden geldt; de vier jaar berekend wordt vanaf het moment van het indienen van de aanvraag; het woonadres vastgesteld wordt op basis van de inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) en indien noodzakelijk een aanvullende controle; Voor aanvragers met één of meer minderjarige kinderen die tijdelijk elders wonen wegens relatiebreuk of echtscheiding en voldoen aan de overige criteria geldt de volgende uitzondering: zij kunnen maximaal een half jaar na uitschrijving uit het BPR van Amsterdam alsnog urgentie aanvragen, bovenstaande bindingseis wordt hen in zoverre niet tegengeworpen; de jaren waarbij een aanvrager en alle personen behorend tot zijn huishouden woonachtig waren in de voormalige gemeente Weesp worden ook meegeteld; de urgentiecategorieën Blijf-groep (artikel 2.10.6, eerste lid, onderdeel a, HVV), mantelzorg (artikel 2.10.6, eerste lid, onderdeel b, HVV) en statushouders (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel d HVV) niet onder deze weigeringsgrond vallen; en voor de urgentiecategorie Uitstroom maatschappelijke opvang een afwijkende regel van toepassing is (zie onder 8 lid e). Ad j) Het inkomen is hoger dan de inkomensgrens voor de primaire doelgroep van corporaties of de tijdelijk hogere inkomensgrens voor de 10% doelgroep als bedoeld in artikel 48 van de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015, waarbij geldt dat: gerekend wordt met het gezamenlijk belastbaar jaarinkomen van het huishouden, uitgezonderd het inkomen van kinderen, een uitzondering op deze regel wordt gemaakt voor degenen die in aanmerking komen voor een calamiteiten-urgentie op basis van artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel a, HVV ‘acute noodsituatie’ (zie onder 8). een afwijkende inkomensgrens gehanteerd wordt voor de urgentiecategorie stadsvernieuwing (artikel 2.10.8, eerste lid, onderdeel c HVV), conform de Amsterdamse Kaderafspraken. Ad k) In de twee jaar voor het moment van aanvraag in een onderkomen woonde welke niet bestemd is voor permanente bewoning krachtens een besluit op grond van de Omgevingswet (artikel 2.10.5, derde lid, HVV). Hiervan is in elk geval sprake als de aanvrager: woont in een onzelfstandige woonruimte (zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, onderdeel v, HVV); of verblijft in een bedrijfspand, caravan, een provisorisch onderkomen of een gebouw ongeschikt voor bewoning. Aanvragen vanuit noodopvang voor gezinnen De situatie en het handelen van de aanvrager voorafgaand aan het verblijf in de noodopvang (crisisopvang) voor gezinnen is relevant voor de beoordeling van de weigeringsgronden. Het verblijf in de noodopvang is op zichzelf geen huisvestingsprobleem waarvoor urgentie wordt gegeven en vormt verder een neutrale factor in de beoordeling. Ook telt de periode van verblijf in de noodopvang niet mee in de periode dat de aanvrager in Amsterdam moet hebben gewoond op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, onderdeel i, HVV. Alleen indien de aanvrager voorafgaand en gedurende het verblijf in de noodopvang aanvullende problemen heeft die vallen binnen de criteria voor sociale of medische urgentie, kan er een urgentieverklaring worden verleend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel