4.1 Inleiding
In het vorige hoofdstuk is aangegeven welke investeringen worden geactiveerd en tegen welk bedrag en welke niet. In dit hoofdstuk komen de lasten van de investeringen die geactiveerd worden aan bod.
4.2 Afschrijven
Het BBV kent geen regels voor een sluitend systeem waaraan afschrijvingen moeten voldoen. Er zijn wel kaders gesteld. De belangrijkste zijn:
De afschrijvingsmethode die gebruikt wordt om de kapitaallasten te berekenen wordt in de toelichting op de balans uiteengezet. Afschrijving vindt plaats onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar;
Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur.
4.2.1 Afschrijvingstermijnen
In bijlage 3 is een overzicht opgenomen waarin per activasoort de levensduur wordt weergegeven waarover wordt afgeschreven. Deze levensduur is bepaald aan de hand van ervaringsgegevens en algemeen gebruikelijke normen. Voor investeringen die zijn geactiveerd voor vaststelling van deze nota activeren en afschrijven (voor 2021) wordt de historische afschrijvingstermijn niet aangepast. Het college stelt de bijlage op en beheert deze. Dit heeft niet alleen een praktische reden, bij wijzing hoeft er geen raadsbesluit te worden genomen, maar verhoogd ook de slagkracht om accuraat in te spelen op ontwikkelingen in de omgeving of kennis van activa. Hiermee wordt actualiteiten en realiteit van de begroting bevorderd.
Artikel 6:
De afschrijvingstermijnen staan beschreven in bijlage 3. Voor investeringen uit 2020 en eerder zijn geactiveerd voor vaststelling van deze Nota activeren en afschrijven wordt de historische afschrijvingstermijn niet aangepast.
Het college stelt de bijlage op en beheert deze zodat accuraat kan worden ingespeeld op gewijzigde omstandigheden.
4.2.2 Afschrijving op gronden
Het afschrijven op gronden neemt een bijzondere plaats in omdat gronden duurzame goederen zijn die niet aan slijtage onderhevig zijn. Op gronden wordt daarom niet afgeschreven en vindt alleen afwaardering plaats als de grond op basis van bestemmingswijziging minder waard wordt.
Artikel 7:
Op gronden wordt niet afgeschreven met uitzondering van dat na een wijziging van de bestemming de grond minder waard wordt.
4.2.3 Methoden van afschrijving
Er zijn verschillende methoden om op basis van de afschrijvingsduur te komen tot de afschrijving per
periode waarvan de lasten worden toegerekend. De te gebruiken methode is:
een vast percentage van de aanschafwaarde (lineaire afschrijvingsmethode).
Bij investeringen waarvan de kapitaallasten in een (kostendekkend) tarief aan de burgers worden doorberekend is het van groot belang deze lasten op een zo constant mogelijk niveau te houden. Met name is dit aan de orde indien sprake is van een substantieel investeringsniveau. Daarnaast is het van belang om ook de jaarlijkse groot onderhoudskosten zo veel mogelijk af te vlakken. Pas dan wordt op een optimale wijze bereikt dat jaarlijkse schommelingen in de tariefstelling kunnen worden voorkomen. Feitelijk speelt deze problematiek uitsluitend bij investeringen met betrekking tot riolering en afvalstoffen. De hierop betrekking hebbende investeringen kunnen op basis van annuïteiten worden afgeschreven.
Artikel 8:
De lineaire methode wordt toegepast voor het afschrijven van activa.
Investeringen met betrekking tot rioleringen en afvalstoffen waarvan de kosten in een tarief aan burger wordt doorberekend, mogen op basis van annuïteiten worden afgeschreven.
4.2.4 Wijziging van methode van afschrijving
De methode van afschrijven mag alleen om gegronde redenen worden gewijzigd. De reden en de financiële consequenties van de verandering worden in de toelichting op de balans uiteengezet. Ook wordt inzicht gegeven in de consequenties hiervan voor de financiële positie en voor de baten en lasten aan de hand van aangepaste cijfers voor het begrotingsjaar of het voorafgaande begrotingsjaar.
4.2.5 Afwaarderen
Afwaarderen is verplicht als de boekwaarde van het activum hoger is dan het verwachte toekomstige (economische) nut. Dit geldt ook voor gronden.
4.2.6 Restwaarde
De restwaarde van de meeste investeringen is moeilijk in te schatten. Op grond van het voorzichtigheids-principe wordt er veelal vanuit gegaan dat de restwaarde nihil is, de investering wordt volledig afgeschreven. Activa worden pas vervangen indien dat noodzakelijk is.
In de vorige notitie activeren en afschrijven uit 2017 geldt er wel een uitzondering indien er sprake is van gemeentelijke gebouwen op gemeentelijke grond en de grondkosten zijn in de verkrijgings- of vervaardigingsprijs begrepen.
Bij de besluitvorming over de Begroting 2011 is op basis van de daarin voorgestelde ombuigingen besloten in dergelijke gevallen rekening te houden met een restwaarde van 10% van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
De ombuigingen uit 2011 zijn ondertussen gerealiseerd. De noodzaak om deze uitzondering door te zetten ontbreekt. Voorgesteld wordt om het voorzichtigheids-principe toe te passen.
Artikel 9:
Bij afschrijvingen op investeringen wordt geen restwaarde meegenomen.
4.3 Rente
Aan alle geactiveerde kapitaaluitgaven wordt rente toegerekend. Dit zijn de lasten die voortkomen uit de financiering van de investering. Voor de toerekening van de rentelasten aan investeringen word gekozen voor het werken met het omslagpercentage. Door te werken met een (vooraf vast bepaald) omslagrentepercentage zijn er minder schommelingen in de toegerekende rente aan investeringen. Dit percentage wordt berekend en vastgesteld met een nauwkeurigheid van “2 cijfers achter de komma” (= x,xx %), naar boven afgerond. Dit is conform de regelgeving uit de BBV.
Een eventueel rente voordeel of nadeel wordt zichtbaar op het taakveld treasury.
Artikel 10:
Voor de toerekening van de rentelasten gebruiken we het bij de begroting vastgestelde renteomslag
percentage.
4.4 Aanvang kapitaallasten
Er zijn verschillende momenten waarop we kunnen starten met afschrijven. Deze zijn:
medio het begrotingsjaar waarin het activum gereed komt/verworven wordt;
in het begrotingsjaar dat volgt op het jaar waarin het activum gereed komt/verworven wordt;
vanaf het moment dat het activum door de gemeente in gebruik kan worden genomen.
Om extra administratieve lasten zoveel mogelijk te voorkomen en om het gebruik van een activum meer in overeenstemming te brengen met de afschrijvingsduur, wordt gestart met afschrijven in het begrotingsjaar waarin het activum in gebruik is genomen. Hiermee wordt voorkomen dat het gebruik al gestopt is maar dat er nog wel een jaar afschrijving verantwoord moet worden. Dit doet zich vooral voor bij kortdurende kredieten.
Voorgesteld wordt om in het eerste jaar te starten met een heel jaar afschrijving indien het activum in het eerste half jaar in gebruik is genomen en met half jaar afschrijving indien het activum in het tweede deel van het jaar in gebruik is genomen.
Artikel 11:
De afschrijving start in het jaar van in gebruik name. In het eerste jaar wordt gestart met een heel jaar afschrijving indien het activum in het eerste half jaar in gebruik is genomen en met half jaar afschrijving indien het activum in het tweede deel van het jaar in gebruik is genomen.
4.5 Kapitaallasten na einde verwachte levensduur
Activa worden conform de verwachte levensduur afgeschreven (zie bijlage 3).
Het kan voorkomen dat een activum al geheel is afgeschreven maar nog niet vervangen hoeft te worden. In de begroting wordt hiervoor wel een budget ter grootte van de vervallen kapitaallasten geraamd om toekomstige vervanging mogelijk te blijven maken.
Bij de begroting vallen deze kapitaallasten incidenteel vrij en kunnen, na besluitvorming door de gemeenteraad, worden ingezet ter compensatie van hogere kapitaallasten elders of voor noodzakelijke afschrijving ineens van een boekwaarde door waardevermindering van een activum.
Indien dit zich niet voordoet, vallen deze lasten vrij in het saldo van de begroting.
Artikel 12:
Ook als een activum geheel afgeschreven is, worden er nog steeds een budget ter grootte van de vervallen kapitaallasten in de begroting opgenomen.
Vrijval van deze kapitaallasten kunnen, na besluitvorming bij de begroting door de gemeenteraad, worden ingezet, voor dekking van hogere lasten door onvoorziene hogere kapitaallasten en/of afschrijving van boekwaarden door de waardevermindering van een activum.
Indien dit zich niet voordoet, vallen deze lasten vrij in het saldo van de begroting.
4.6 Beschikbaarheid investeringen
Het lijkt voor de hand liggend dat een krediet wordt aangewend gedurende het jaar waarvoor het beschikbaar is gesteld. Echter, in de praktijk blijken er diverse oorzaken te zijn waardoor dit niet altijd haalbaar is. Ten behoeve van het zo realistisch mogelijke plannen en om te voorkomen dat voor een langere tijd beslag op financiële middelen wordt gelegd, verdiend het aanbeveling periode van beschikbaarheid van het doen van de investering te beperken. Een periode van twee jaar, overeenkomend met de thans gehanteerde termijn, is daarbij alleszins reëel. Investeringen of restanten daarvan vervallen na 2 jaar na de beschikbaarstelling door de raad automatisch.
Uitsluitend wanneer voor het verloop van de termijn van twee jaar een onderbouwd voorstel aan de raad wordt voorgelegd en de raad daarmee instemt kan, in afwijking van de algemene regel, de aanlooptijd worden verlengd.
Artikel 13:
De periode tot aanvang van een investering is maximaal 2 jaar na besluitvorming. Daarna vervalt de investering automatisch. Om hiervan af te wijken kan een onderbouwd voorstel aan de raad worden voorgelegd.