Naar hoofdinhoud
1.1 Situatie van de cliënt Ondersteuningsplicht In artikel 1.2.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is vastgelegd dat de gemeente aan zijn ingezetenen maatwerkvoorzieningen moet verstrekken ter ondersteuning van zijn zelfredzaamheid en participatie, voor zover zij in verband met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende zelfredzaam zijn of in staat zijn tot participatie. Beperking, chronisch psychisch probleem of psychosociaal probleem Om voor een voorziening in aanmerking te komen dienen beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen aanwezig te zijn (artikel 1.2.1 Wmo 2015). De beperking dient objectiveerbaar te zijn. Een sociaal medisch advies kan worden ingezet om dit aan te tonen. Bijvoorbeeld het gegeven dat men oud is, is op zichzelf geen indicatie voor voorzieningen in het kader van de Wmo. Wel kunnen belemmeringen, die het gevolg zijn van slijtageprocessen, die onlosmakelijk verbonden zijn met het ouder worden, aanleiding zijn een maatwerkvoorziening te bieden. Behoeften en persoonskenmerken van de belanghebbende Het college gaat uit van de behoeften en persoonskenmerken van de cliënt (artikel 10 eerste lid van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heemskerk 2018 (verordening)). Dit betekent dat er altijd maatwerk geleverd moet worden. Daarbij gaat de gemeente uit van de (hulp)vraag van de cliënt en niet van de voorzieningen die de gemeente verstrekt. Het leveren van maatwerk betekent een uitgebreid onderzoek naar de persoonlijke situatie van de cliënt en het zoeken naar de goedkoopst adequate oplossing voor het probleem. Omdat elke situatie anders is, is een ‘dichtgetimmerd’ kader onwenselijk. Het is daarom van groot belang dat de gemeente haar bevindingen zorgvuldig vastlegt en motiveert. De centrale vraag is: “Moet er ondersteund worden in de zelfredzaamheid en participatie?” Een aanvraag voor een gemeenschappelijke voorziening is niet mogelijk. Er moet altijd één aanvrager zijn die de voorziening aanvraagt; de voorziening moet voor deze aanvrager ook noodzakelijk zijn in het kader van de Wmo. De cliënt is de hoofdgebruiker. Een voorziening wordt alleen verstrekt aan de persoon met beperkingen. De hulpvrager die bijvoorbeeld een vervoersvoorziening nodig heeft, kan die voorziening alleen voor zichzelf aanvragen. 1.2 Eigen kracht Eigen verantwoordelijkheid Bij het bepalen of een persoon ondersteund moet worden, dient het college rekening te houden met de persoonskenmerken en behoeften van de persoon. Hieronder wordt ook een verandering van woning in verband met een wijziging van leefsituatie verstaan. Dit betekent dat er maatwerk geleverd moet worden en dat de eigen verantwoordelijkheid van de persoon en zijn sociale netwerk nadrukkelijk voorop staan. De eigen verantwoordelijkheid wordt door de VNG in beeld gebracht door middel van onderstaand figuur. 1 Het figuur van de VNG is aangepast omdat in de Wmo 2015 wordt gesproken over maatwerkvoorzieningen in plaats van individuele voorzieningen Zoals de pijl aangeeft, wordt er eerst gekeken naar wat de persoon in kwestie zelf kan doen om de situatie te verbeteren en of het sociaal netwerk uitkomst kan bieden. Daarna wordt bepaald of er algemene voorzieningen zijn die het probleem oplossen. Biedt dit alles geen oplossing, dan wordt bekeken of een maatwerkvoorziening gewenst is. In deze paragraaf wordt meer uitleg gegeven over het figuur. Eigen kracht De eigen kracht van de cliënt heeft betrekking op de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie. De Wmo is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem op te lossen. Deze eigen verantwoordelijkheid komt tijdens het gesprek aan de orde. Voorbeelden Het merendeel van de mensen is gewend gebruik te maken van een auto. Als zij door bijvoorbeeld hun leeftijd of een ongeval een beperking krijgen hoeft er niets te veranderen. Als zij met dezelfde auto in staat blijven hun verplaatsingen te maken hoeft er niet te worden ondersteund. Dit zou anders kunnen zijn als zij door hun beperking veel meer verplaatsingen moeten gaan maken. Dan is onderzoek nodig naar de aard van de extra ritten en de kosten in relatie tot het eerdere verplaatsingspatroon. In dat geval zou ondersteuning mogelijk kunnen zijn. Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Van gebruikelijke hulp is sprake als er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht de ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie over te bieden. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind. Ook inwonende ouders zijn huisgenoten. Of sprake is van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur en dergelijke door elkaar lopen. Hulp bij het huishouden Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar de leeftijd van de huisgenoot en het psychosociaal functioneren. Tot achttien jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij op huishoudelijk gebied hun bijdragen leveren. Bijvoorbeeld door het schoon houden van de eigen kamer en/of door het verrichten van hand- en spandiensten als het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enzovoort. Van personen van 18 tot en met 23 jaar wordt verwacht dat zij een eenpersoons huishouden kunnen voeren. Bij gebruikelijke hulp wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een volledige baan een huishouden te kunnen runnen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het vaak om uitstelbare taken. Gebruikelijke hulp is verder uitgewerkt in de bijlage bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heemskerk 2018. Begeleiding We spreken van gebruikelijke hulp bij begeleiding door partner, ouder, volwassen inwonend kind of een andere volwassen huisgenoot: In kortdurende situaties (maximaal 3 maanden): als uitzicht op herstel (van de zelfredzaamheid) dusdanig is dat begeleiding daarna niet meer nodig zal zijn. In langdurige situaties; Bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort. Het geven van begeleiding op het terrein van de maatschappelijke participatie. Hulp bij overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden behoren zoals de administratie. Sociaal netwerk Indien de cliënt niet in staat is een oplossing te realiseren wordt gekeken naar de mogelijkheden van zijn sociaal netwerk om te ondersteunen. Het sociaal netwerk van een cliënt bestaat uit ‘de personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie een cliënt een sociale relatie onderhoudt’ (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Familieleden, huisgenoten, (voormalig) echtgenoot zijn voorbeelden van personen uit de huiselijke kring. Voorbeelden van andere personen waar de cliënt regelmatig contact kan hebben zijn buren en medeleden van een vereniging. Mantelzorgers en vrijwilligers Mantelzorgers en vrijwilligers kunnen mogelijk ondersteunen bij de hulpvraag van de cliënt. Deze hulp is echter niet afdwingbaar. Mantelzorg wordt in de wet als volgt gedefinieerd: ‘Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw), die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep’. Het is belangrijk om rekening te houden met de belangen van de mantelzorger en diens dreigende overbelasting. In paragraaf 2.5 wordt aandacht besteed aan de wijze waarop de gemeente tijdens het onderzoek aandacht heeft voor de mantelzorger. Algemene voorzieningen Diensten of activiteiten die toegankelijk zijn voor alle inwoners worden aangeduid met de term algemene voorziening. Voor sommige algemene voorzieningen zijn specifieke doelgroepen omschreven. Voor een algemene voorziening wordt geen onderzoek gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruiker. Met andere woorden er is geen indicatie nodig. Indien iemand gebruik kan maken van een algemene voorziening om deels, of volledig te voorzien in zijn ondersteuningsbehoeften wordt dit van de cliënt verlangd. Indien noodzakelijk kan aanvullend een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Maatwerkvoorzieningen Een (aanvullende) maatwerkvoorziening kan aan de orde zijn wanneer de ondersteuningsbehoeften niet of slechts ten delen kunnen worden opgelost door de cliënt, zijn omgeving en algemene voorzieningen. Uitsluitingsgronden Indien iemand aanspraak heeft op een voorziening op basis van andere wet- en regelgeving wordt gesproken van een uitsluitingsgrond. Voorbeelden zijn de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Als uit onderzoek blijkt dat de cliënt voor de ondersteuning (diensten, zoals hulp bij het huishouden of begeleiding) aanspraak kan maken op ondersteuning vanuit andere wet- en regelgeving is dit een uitsluitingsgrond. Voor begeleiding en hulp bij het huishouden kan ter overbrugging een indicatie voor drie maanden worden toegekend. Dit zodat de cliënt in de gelegenheid wordt gesteld de ondersteuning aan te vragen bij de Wlz. Voorbeelden zijn: Arbeidsvoorzieningen op grond van Ziektewet (ZW), WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen), Wajong, Wet Sociale Voorziening (Wsw) en Participatiewet (Pw). Het uitgangspunt is dat als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet mogelijk is dat dan dagbesteding kan worden overwogen. Wlz of Zvw voor behandeling: alvorens begeleiding te verstrekken is het van belang dat wordt onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Dit kan enkel worden bepaald door een medisch adviseur. Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/ stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek. Begeleiding en behandeling kunnen ook tegelijkertijd worden ingezet. Begeleiding kan dan worden ingezet om de tijdens de behandeling geleerde vaardigheden te oefenen. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden. Wlz: Indien er permanent toezicht nodig is of 24-uurszorg in de nabijheid noodzakelijk wordt geacht, komt cliënt in aanmerking voor Wlz. Er is dan in geen indicatie begeleiding uit de Wmo mogelijk. Maar let op een eventuele tijdelijke overbrugging is wel mogelijk. Passend onderwijs: Op basis van de wet passend onderwijs zijn scholen er voor verantwoordelijk alle leerlingen (dus ook leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben op het gebied van leren, gedrag of fysieke mogelijkheden) een passende onderwijsplek en ondersteuning te bieden. Soms is het nodig om daarnaast begeleiding vanuit de Jeugdwet of Wmo te indiceren. 1.3 Overige uitgangspunten Goedkoopst adequaat De verordening bepaalt, dat de te verstrekken voorziening ‘als goedkoopst adequaat’ moet kunnen worden aangemerkt (artikel 10, tweede lid van de verordening). Het is van belang op het begrip goedkoopst adequaat nader in te gaan. Primair betekent goedkoopst adequaat dat de voorziening passend moet zijn. Uit de alternatieven die als adequaat worden bestempeld, kan de gemeente de goedkoopste oplossing kiezen. Het begrip goedkoopst adequaat laat ruimte voor een afweging van de specifieke omstandig¬heden van de aanvrager. Uiteindelijk bepaalt immers de situatie van de aanvrager, zoals beoordeeld door de gemeente, wat in zijn omstandigheden passend is. Uitgangspunt is, dat van de mogelijke adequaatste oplossingen, de goedkoopste oplossing wordt gekozen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten wordt bepaald. Zo kan mogelijk een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaan en dus uiteindelijk goedkoper zijn. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, mag het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. In theorie is het mogelijk een ondersteunende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Langdurig noodzakelijk Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat in beginsel wordt uitgegaan van een periode langer dan zes maanden dat de beperking aanhoudt. De staat van de medische toestand is op het moment van aanvraag onomkeerbaar en de cliënt daardoor voor langere tijd aangewezen op de betreffende maatwerkvoorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkt is niet voor een voorziening in aanmerking komt. De cliënt kan in dit geval een beroep doen op de thuiszorgwinkel voor maximaal zes maanden. Soms komt het voor dat een cliënt als gevolg van een ernstig ongeval een lange revalidatie doormaakt maar uiteindelijk toch weer (nagenoeg) geheel zal herstellen. Als de herstelperiode bijvoorbeeld twee jaar zou zijn, dan moet het college toch een voorziening te treffen. In afwijking op het gestelde kunnen hulp bij het huishouden, ambulante begeleiding en dagbesteding wel voor een korte duur worden geïndiceerd. De minimale indicatietermijn voor hulp bij het huishouden is zes weken. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Bij een wisselend beeld, waarbij verbeteringen en situaties van terugval elkaar opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is. Algemeen gebruikelijk Het college dient voor iedere specifieke aanvrager te beoordelen of een voorziening algemeen gebruikelijk is. Uit de jurisprudentie volgt dat hierbij de volgende criteria een rol spelen: Is de voorziening gewoon verkrijgbaar? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor mensen met een beperking ontworpen/bedoeld? Zou een gezonde persoon, ook gelet op de individuele omstandigheden van het geval, waaronder de leeftijd, over de voorziening (kunnen) beschikken? Bij het onderzoek naar de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, mag het inkomen en/of vermogen van de cliënt geen rol spelen. Alleen wanneer de cliënt betwist dat hij de algemeen gebruikelijke voorziening niet kan betalen, mag de financiële situatie van de cliënt worden beoordeeld. Voorbeelden Of iets voor een cliënt algemeen gebruikelijk kan worden genoemd dient onderzoek plaats te vinden. In de praktijk zijn een aantal voorbeelden te benoemen die in veel voorkomende gevallen als algemeen gebruikelijk kunnen worden gedefinieerd. Let op, per situatie moet gemotiveerd worden of iets algemeen gebruikelijk is. De aanwezigheid van een centrale verwarming of een tweede trapleuning kan doorgaans als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Algemeen gebruikelijke voorzieningen worden niet vanuit de Wmo verstrekt. Indien er sprake is van het aanbrengen van een verwarming zien we dit in beginsel als het aanpassen van de woning aan de eisen van de tijd, hetgeen buiten de werkingssfeer van de Wmo valt. Op vervoersgebied kan men als voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen noemen: de e-bike en een fiets met lage instap. Op het gebied van de woningaanpassingen kan worden gedacht aan: thermostaatkranen, éénhendelmengkranen, verhoogd toilet en douche- en toiletbeugels.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel