Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 2.5

Toelatingseisen TTO

Onderdeel van Taxiverordening Amsterdam 2012

1.. Een TTO: is een rechtspersoon; heeft een postadres; heeft minimaal 100 aangesloten chauffeurs werkzaam op de opstapmarkt in Amsterdam en kan dit aantonen door het overleggen van afschriften van overeenkomsten die met de aangesloten chauffeurs zijn aangegaan. De aangesloten chauffeurs zijn niet eveneens aangesloten bij een andere TTO die voorziet in het aanbieden van taxivervoer binnen de gemeente Amsterdam; heeft overeenkomsten met de vervoerders waar aangesloten chauffeurs als genoemd in onderdeel c deel van uitmaken en kan dit aantonen door het overleggen van afschriften van deze overeenkomsten. De aangesloten vervoerders zijn niet eveneens aangesloten bij een andere TTO die voorziet in het aanbieden van taxivervoer binnen de gemeente Amsterdam; kan aantonen dat de aangeslotenen minimaal 50 rijklare auto's waarmee taxivervoer wordt verricht duurzaam ter beschikking hebben; is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel; legt een Verklaring Omtrent het Gedrag voor Rechtspersonen over, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan vier maanden; heeft geen bestuursleden in het bestuur van de TTO welke in een periode van vijf jaar voorafgaand aan de vergunningaanvraag lid van het bestuur van een TTO waren, waaraan een TTO-vergunning werd geweigerd of ingetrokken dan wel waarvan een intrekkingsprocedure is gestart, met uitzondering van de situatie dat door vergunninghouder om intrekking was verzocht; heeft een naam, dan wel een afkorting die naar het oordeel van het college voldoende onderscheidend is van de naam, dan wel de afkorting van bestaande TTO's. 2.. Een TTO heeft een reglement waarin in ieder geval ter bevordering van de kwaliteit van taxivervoer zijn opgenomen: de visie van de TTO ten aanzien van de kwaliteit van taxivervoer en de belangrijkste doelstellingen die de TTO nastreeft; een normen- en waardenprotocol, een klachtenprotocol, een internecontroleprotocol en een maatregelenprotocol waaraan het college met inachtneming van het bepaalde in de het 3e, 4e, 5e en 6e lid minimale eisen kan stellen; een beschrijving van de wijze waarop de TTO gaat voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens artikel 2.7. 3.. Het normen- en waardenprotocol heeft tot doel het gewenste gedrag en de verplichtingen van de aangeslotenen te regelen. In verband hiermee worden in ieder geval bepalingen opgenomen die waarborgen dat de aangesloten chauffeur: door gedrag en handelen laat zien dat deze professioneel is en dat deze oog heeft voor de herkenbaarheid ten behoeve van de klant; zich op of in de omgeving van de standplaats houdt aan de met betrekking tot de standplaats en de omgeving van de standplaats opgestelde regels; ritten accepteert en de keuzevrijheid van de consument in acht neemt; de veiligheid van de consument en overige personen in acht neemt; de juiste ritprijs in rekening brengt. 4.. Het klachtenprotocol beschrijft in hoofdlijnen wat het belang is van klachten voor de TTO en hoe de TTO met klachten omgaat. In verband hiermee worden in ieder geval bepalingen opgenomen die waarborgen dat: de klacht wordt geregistreerd en afgehandeld door de TTO of een organisatie die namens de TTO de binnengekomen klachten afhandelt; de TTO en aangeslotenen meewerken aan de afhandeling van klachten die via het Landelijk Klachtenmeldpunt Taxi of bij het college zijn binnengekomen; bepaalde termijnen in acht worden genomen; de wijze waarop binnen de auto waarmee taxivervoer wordt verricht de inhoud van het klachtenprotocol kenbaar wordt gemaakt; de uitzonderingen op het in behandeling nemen van een klacht worden genoemd. 5.. Het internecontroleprotocol regelt de wijze waarop de TTO de aangeslotenen controleert op naleving van de in het reglement gestelde regels. In verband hiermee wordt in ieder geval opgenomen: de wijze waarop de TTO inzichtelijk maakt op welke wijze informatie verzameld wordt om naleving van de in het reglement vastgelegde verplichtingen zoals deze zijn opgenomen in het normen- en waardenprotocol, het klachtenprotocol en het maatregelenprotocol, en de verordening te controleren; een onderverdeling van de interne controles naar de in het maatregelenprotocol opgenomen prioriteiten en de overige verplichtingen uit het reglement; de frequentie waarmee de interne controles plaatsvinden; op welke wijze de in de risicoanalyse geconstateerde risico's kunnen worden verkleind middels het uitvoeren van interne controles; een onderbouwing van de keuze als genoemd onder b, c en d; onverminderd het bepaalde in lid b benoemt de TTO in ieder geval de wijze waarop controles plaatsvinden in de gebieden C, D, E, F en G als zodanig aangewezen in bijlage I bij deze verordening; de wijze waarop de bevindingen van de interne controle worden vastgelegd en gedeeld met de aangeslotenen, de auditorganisatie en met het college. 6.. Het maatregelenprotocol beschrijft gewenste gedragingen van aangeslotenen met de door de TTO op te leggen maatregelen in het geval deze norm wordt geschonden. Het maatregelenprotocol bevat in ieder geval: een overzicht van alle normen en waarden als genoemd in het normen- en waardenprotocol en de door de TTO aan aangeslotenen op te leggen maatregelen in het geval een van die normen of waarden wordt geschonden, waarbij de maatregelen in ieder geval voortkomen uit de risicoanalyse als bedoeld in het zevende lid, en waarbij deze maatregelen de daarin geconstateerde risico's verkleinen; een redelijke termijn waarbinnen door de TTO beslist wordt over de naar aanleiding van de geconstateerde overtreding toe te passen maatregel en de periode waarbinnen deze maatregel wordt opgelegd; een beschrijving van de manier waarop een beslissing wordt genomen over de op te leggen maatregel, waarbij in ieder geval rekening wordt gehouden met het aantal overtredingen dat een chauffeur eerder heeft gepleegd; de handelswijze van de TTO ten aanzien van de controle op de uitvoering van de opgelegde maatregel. 7. De TTO legt ten behoeve van het internecontroleprotocol en het maatregelenprotocol een risicoanalyse over. De risicoanalyse beschrijft in ieder geval: •a.      de specifieke risicofactoren die voor de TTO en aangeslotenen gelden met betrekking tot het mogelijk overtreden van de gestelde gedragingen en verplichtingen; b. van alle gedragingen en verplichtingen opgenomen in het normen- en waardenprotocol of er al dan niet sprake is van een verhoogd risico dat aangeslotenen de opgenomen waarden en normen zullen overtreden met de daarbij behorende onderbouwing; •c.      de specifieke risicotijden waarop het aannemelijk is dat er meer overtredingen door aangeslotenen plaatsvinden; •d.      de specifieke risicolocaties waarop het aannemelijk is dat er meer overtredingen door aangeslotenen plaats vinden; e. op welke wijze, buiten de genoemde risicobeperkingen onder het maatregelenprotocol en het internecontroleprotocol, de risico's nog meer verkleind worden. 8. Het college kan nadere eisen stellen aan het in het tweede lid genoemde reglement en de in het zevende lid genoemde risicoanalyse; 9. Het college kan in afwijking van lid 1 onder c een andere eis vaststellen met betrekking tot het aantal aangesloten chauffeurs dat werkzaam moet zijn op de opstapmarkt, indien de TTO voor het aanbieden van taxivervoer slechts gebruik maakt van voertuigen zonder directe uitstoot van schadelijke stoffen; 10. Het college kan in afwijking van lid 1 onder e een andere eis vaststellen met betrekking tot het minimumaantal rijklare auto's waarmee taxivervoer wordt verricht, indien de TTO voor het aanbieden van taxivervoer slechts gebruik maakt van voertuigen zonder directe uitstoot van schadelijke stoffen. Artikel 2.6      Bijzondere weigeringsgronden TTO-vergunning Het college kan een vergunning voor een TTO weigeren indien naar zijn oordeel: a. niet wordt of kan worden voldaan aan de eisen gesteld bij of krachtens artikel 2.5; b. het reglement als bedoeld in artikel 2.5 naar oordeel van het college onvoldoende garanties geeft voor het waarborgen van de kwaliteit van taxivervoer, of indien; c. niet voldaan wordt of kan worden voldaan aan de bij of krachtens artikel 2.7 gestelde eisen. Artikel 2.7      Verplichtingen voor een TTO met vergunning 1. De TTO: a. heeft een telefoonnummer waar zij 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar is om informatie te verstrekken over de aangeslotenen; b. draagt er zorg voor dat aangeslotenen daklichten en een informatiekaart gebruiken, welke voldoen aan de door het college te stellen eisen en zorgt voor inname van het daklicht indien de Taxxxivergunning van de aangesloten chauffeur is geschorst, vervallen of ingetrokken; c. legt onder andere in het geval van klachten, calamiteiten of op verzoek van het college relevante gegevens van de betrokken chauffeur of chauffeurs over aan het college. d. is aangesloten bij een geschillencommissie welke minimaal voldoet aan de bepalingen als bedoeld in artikel 77 van de wet; e. heeft natuurlijke personen in het bestuur en maakt inzichtelijk welke persoon daarvan aanspreekpunt is en welke persoon daarvan woordvoerder is; f. heeft een actuele registratie van gegevens van de TTO, aangeslotenen, auto's en ritten welke voldoet aan de nader door het college te stellen eisen; g. heeft een reglement welke in ieder geval voldoet aan de in artikel 2.5, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde lid, genoemde uitgangspunten en zorgt voor naleving hiervan; h. draagt zorg voor het continu optimaliseren van straten- en talenkennis van de aangesloten chauffeurs; i. geeft wijziging van de gegevens zoals deze bij de aanvraag zijn ingediend onverwijld door aan het college; j. draagt er zorg voor dat aangeslotenen een ritbewijs verstrekken voorzien van naam en contactgegevens van de TTO; k. verantwoordt periodiek haar prestaties aan het college door middel van het verstrekken van rapportages. Het college kan nadere eisen stellen aan de inhoud en de frequentie van deze rapportages; l. laat binnen haar organisatie audits uitvoeren met het doel zekerheid te geven over de mate waarin de TTO het reglement naleeft en over de betrouwbaarheid van de te rapporteren data. Het college kan nadere eisen stellen aan de auditorganisatie, de inhoud van de uit te voeren audits, de wijze waarop en de frequentie waarmee de audits plaatsvinden en de wijze waarop de uitkomsten aan het college worden gerapporteerd. 2. De bestuursleden en vertegenwoordigers van de TTO gedragen zich naar het oordeel van het college op een wijze die de kwaliteit van taxivervoer niet aantast. 3. De TTO heeft ondubbelzinnige verklaringen van alle aangeslotenen waaruit blijkt dat aangeslotenen zich conformeren aan het in artikel 2.5, tweede lid, bedoelde reglement en legt op verzoek van het college een afschrift hiervan over. 4. De TTO verstrekt op verzoek van het college onverwijld informatie met betrekking tot de ingevolge het eerste lid, onder f, door de TTO geregistreerde gegevens. 5. De TTO verstrekt onverwijld actuele informatie aan het college aangaande: a. veranderingen aan de voorgeschreven kenmerken van de daklichten; b. wijzigingen in het bestand van aangeslotenen; c. wijzigingen die betrekking hebben op de natuurlijke persoon die aanspreekpunt is voor de TTO of in de rechtspersoon van de TTO; d. wijzigingen in het reglement van de TTO; 6. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van opleidingseisen ter bevordering van de kwaliteit van taxivervoer. De TTO ziet erop toe dat aangesloten chauffeurs voldoen aan deze opleidingseisen. Artikel 2.8      Overige verplichtingen Het college kan bepalen dat het aanbieden van taxivervoer door aangeslotenen in de gebieden A, B, C, D, E, F en G als zodanig aangewezen in bijlage I bij deze verordening, uitsluitend is toegestaan voor zover de TTO waarbij zij zijn aangesloten een overeenkomst met het college heeft gesloten. In deze overeenkomst wordt in ieder geval opgenomen: a. de wijze waarop de TTO in de gebieden C en D een bijdrage levert door toe te zien op de aangeslotenen; b. een inspanningsverplichting van de TTO om ervoor te zorgen dat het maximale aantal toegestane taxi's op de standplaats in de gebieden C en D niet wordt overschreden; c. een inspanningsverplichting van de TTO om ervoor te zorgen dat haar chauffeurs die het beste de kwaliteit van taxivervoer waarborgen, taxivervoer aanbieden in de gebieden C en D. Artikel 2.9      Looptijd TTO-vergunning Een vergunning voor een TTO vervalt drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de vergunning tenzij door het college een andere looptijd is vastgesteld. Artikel 2.10    Bijzondere gronden voor wijziging, schorsing of intrekking TTO-vergunning 1. Het college kan een vergunning voor een TTO wijzigen, schorsen of intrekken indien naar het oordeel van het college: a. niet of niet meer voldaan wordt of kan worden voldaan aan de eisen gesteld in artikel 2.5; b. niet of niet meer voldaan wordt of kan worden voldaan aan de eisen gesteld in artikel 2.7, of indien; c. het reglement als bedoeld in artikel 2.5 na wijziging naar oordeel van het college onvoldoende garanties geeft voor het waarborgen van de kwaliteit van taxivervoer. 2. Bij de wijziging, schorsing of intrekking van een TTO-vergunning op de in het eerste lid genoemde gronden, kan het college onder meer rekening houden met een periode waarbinnen de TTO in de gelegenheid wordt gesteld alsnog te voldoen aan de in artikel 2.5, eerste lid, onder c, en e of op grond van artikel 2.5, negende en tiende lid gestelde eisen inzake het aantal aangesloten chauffeurs en de beschikbare auto's waarmee taxivervoer wordt verricht. Artikel 2.11    Maatregelen 1. Het college kan, in het belang van het waarborgen van de kwaliteit van het taxivervoer,de TTO verplichten tot: a. het laten uitvoeren van een uitgebreidere audit op nader te bepalen onderwerpen; b. het opstellen van een verbeterplan. 2. Het college kan, in het belang van het waarborgen van de kwaliteit van het taxivervoer, de TTO uitsluiten van toegang tot één of meer gebieden, als bedoeld in de in bijlage I bij deze verordening aangegeven delen van de openbare weg. Paragraaf 4    Taxxxivergunning Artikel 2.12    Toelatingseisen chauffeur 1. Voor een Taxxxivergunning: a. beschikt de chauffeur over een geldig rijbewijs; b. beschikt de chauffeur over een geldige chauffeurskaart; c. beschikt de chauffeur over het CCV certificaat ontheffing medegebruik lijnbusbaan/-strook gemeente Amsterdam of SVON certificaat; d. kan de chauffeur aantonen dat deze voor een vervoerder rijdt welke in het bezit is van een geldige ondernemersvergunning; e. is de chauffeur aangesloten bij een TTO welke in het bezit is van een geldige TTO-vergunning; f. heeft de chauffeur een vaste woon- of verblijfplaats; g. heeft de chauffeur zich in ieder geval in een periode van 2 jaar voorafgaand aan het indienen van een aanvraag voor een Taxxxivergunning zodanig gedragen, dat naar het oordeel van het college de kwaliteit van taxivervoer niet onevenredig is of wordt aangetast. 2. Bij de aanvraag voor een Taxxxivergunning wordt bij het aanvraagformulier eveneens een goed gelijkende pasfoto overgelegd. Artikel 2.13    Bijzondere weigeringsgronden Taxxxivergunning 1. Het college weigert een Taxxxivergunning indien niet voldaan wordt of kan worden voldaan aan de eisen gesteld in artikel 2.12, eerste lid, onderdelen a, b, c, d, e en f. 2. Het college kan een Taxxxivergunning weigeren indien: a. naar het oordeel van het college niet voldaan wordt of kan worden voldaan aan de eisen gesteld bij of krachtens artikel 2.12, eerste lid, onderdeel g; b. naar het oordeel van het college aannemelijk is dat de vervoerder waar aanvrager voor rijdt niet voldoet aan de bij of krachtens de wet voor haar geldende bepalingen, of indien; c. aanvrager door het bevoegde gezag is verzocht een nieuwe Verklaring Omtrent het Gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, over te leggen en deze nog niet is afgegeven. Artikel 2.14    Verplichtingen voor een chauffeur met een Taxxxivergunning 1. De chauffeur in het bezit van een Taxxxivergunning: a. laat door gedrag en handelen zien dat deze professioneel is en dat deze oog heeft voor de herkenbaarheid ten behoeve van de klant; b. houdt zich op of in de omgeving van de standplaats aan de met betrekking tot de standplaats en de omgeving van de standplaats opgestelde regels; c. accepteert ritten en neemt de keuzevrijheid van de consument in acht; d. neemt de veiligheid van de consument en overige personen in acht; e. brengt de juiste ritprijs in rekening. 2. Het college bepaalt in nadere regels welke gedragingen en verplichtingen in ieder geval onder de in het eerste lid gestelde eisen vallen. 3. Het college kan in aanvulling op het bepaalde in het eerste lid, nadere eisen stellen aan gedragingen of verplichtingen van een chauffeur in het bezit van een Taxxxivergunning. Artikel 2.15    Toonplicht De houder van een Taxxxivergunning geeft het bewijs van deze vergunning (Taxxxiraamkaart) en de bijbehorende keycard op eerste vordering van een ambtenaar in functie of een andere door het college aangewezen persoon, die in opdracht van het college werkzaamheden verricht met het doel de kwaliteit van taxivervoer te bevorderen, ter inzage af. Artikel 2.16    Looptijd Taxxxivergunning Een Taxxxivergunning vervalt drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de vergunning, tenzij door het college een andere looptijd is vastgesteld. Artikel 2.17    Bijzondere gronden voor schorsing of intrekking Taxxxivergunning 1. Een Taxxxivergunning wordt voor een gelijke periode geschorst indien: a. het rijbewijs van vergunninghouder is geschorst, ingevorderd, ingehouden of ingenomen; b. de chauffeurskaart van vergunninghouder is geschorst; c. de ontheffing medegebruik lijnbusbaan/-strook gemeente Amsterdam van vergunninghouder tijdelijk is ingetrokken; d. de TTO waarbij vergunninghouder is aangesloten de aansluiting van vergunninghouder heeft geschorst; e. de TTO-vergunning van de TTO waar de vergunninghouder bij is aangesloten, is geschorst, of indien; f. een Ontzegging Besturen Motorrijtuigen (OBM) is opgelegd. 2. Een Taxxxivergunning wordt ingetrokken indien: a. het rijbewijs van vergunninghouder ongeldig is verklaard; b. de chauffeurspas of chauffeurskaart van vergunninghouder is ingetrokken; c. de ontheffing medegebruik lijnbusbaan/-strook gemeente Amsterdam is ingetrokken; d. de aansluiting van vergunninghouder bij de TTO is beëindigd; e. de TTO-vergunning van de TTO waar de vergunninghouder bij is aangesloten niet meer geldig is, of indien; f. vergunninghouder niet kan aantonen een vaste woon- of verblijfplaats te hebben. 3. Een Taxxxivergunning kan worden geschorst of ingetrokken indien naar het oordeel van het college aannemelijk is dat de vervoerder waar vergunninghouder voor werkt niet voldoet aan de bij of krachtens de wet voor haar geldende bepalingen. 4. Een Taxxxivergunning kan worden geschorst of ingetrokken indien de chauffeur zich gedraagt op een wijze dat naar oordeel van het college de kwaliteit van taxivervoer wordt aangetast. 5. Van de afloop van de schorsingstermijn als bedoeld in het eerste, derde en vierde lid wordt vergunninghouder onverwijld door het college in kennis gesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel