ECLI:NL:RBZWB:2026:8173
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Uitspraak
- 28 april 2026
- Zaaknummer
- 26-001469 en 26-001468
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Raadkamer
Inhoudsindicatie
Toewijzen met inflatiecorrectie.
Uitspraak
1 De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 15 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 10.245,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
€ 4.054,08, voor vergoeding van vermogensschade;
het op 15 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoek dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 420,00 € 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 19 december 2025;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Het verzoek is behandeld op 14 april 2026. Hierbij zijn de officier van justitie
mr. M. Nieuwenhuis en mr. G. van Oort als gemachtigd waarnemend advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht een vergoeding van bovengenoemde schade toe te wijzen. Desgevraagd heeft de advocaat in raadkamer aangevoerd dat de beperkingen er op enig moment zijn afgegaan, zodat de verzochte vergoeding wegens ondergane in verzekeringstelling en voorlopige hechtenis gematigd kan worden. Ten aanzien van de verzochte vergoeding wegens tijdverzuim heeft de advocaat verzocht om daar een inflatiecorrectie op toe te passen via de rekentool van het CBS en heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2021.
De officier van justitie heeft zich - in afwijking van het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie - in raadkamer op het standpunt gesteld dat de verzochte vergoeding wegens ondergane detentie gematigd dient te worden, nu verzoeker minder dagen in beperkingen in het huis van bewaring heeft doorgebracht dan in het verzoek wordt gesteld.
Voorts acht de officier van justitie - gelet op de nadere toelichting van de advocaat in raadkamer - gronden van billijkheid aanwezig om aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de gederfde inkomsten als gevolg van de detentie. Hij ziet echter geen ruimte voor een toepassing van een inflatiecorrectie en verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2024. Volgens de officier van justitie is er ook geen sprake van uitzonderlijke omstandigheden die nopen tot een inflatiecorrectie.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.