ECLI:NL:RBZWB:2026:8164
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Uitspraak
- 28 april 2026
- Zaaknummer
- 25-033214
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Raadkamer
Inhoudsindicatie
Ongegrond. Klager geen rechthebbende.
Uitspraak
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 22 december 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 10 december 2025 onder [beslagene] in het strafvorderlijk onderzoek tegen die [beslagene] in beslag is genomen: een Seat Leon met kenteken [kenteken] (hierna: de Seat);
de aantekening mondeling vonnis van de politierechter van 17 februari 2026, waarbij beslagene [beslagene] is veroordeeld en de Seat verbeurd is verklaard;
een e-mailbericht van de raadsman van 27 februari 2026, waarin de advocaat te kennen geeft dat nu de inhoudelijke behandeling van onderliggende strafzaak voorafgaand aan de raadkamerzitting heeft plaatsgevonden, het ingediende klaagschrift niet langer als grondslag artikel 552a Sv heeft, maar gestoeld is op artikel 552b Sv;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie van 8 april 2026;
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 14 april 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis, klager en mr. M.C.J. Heinen als raadsman van klager en belanghebbende [beslagene], gehoord.
In raadkamer heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Bij vonnis van 17 februari 2026 is beslagene [beslagene] door de politierechter veroordeeld wegens overtreding van artikel 2 onder B van de Opiumwet (meermalen gepleegd) en is de Seat verbeurdverklaard. Klager is eigenaar van de Seat. Nu dit voertuig destijds onder een derde in beslag is genomen, dient de rechtbank rekening te houden met artikel 33a, lid 2 aanhef en onder a, Wetboek van Strafrecht (Sr), wat in dit geval betekent dat verbeurdverklaring van de Seat alleen mogelijk is als klager wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de Seat gebruikt is bij strafbare feiten. Deze wetenschap blijkt nergens uit. Op de MMA-melding - dat er vanuit de woning van klager vermoedelijk drugs zouden worden verkocht - is verder nooit geacteerd, dus ook daar blijkt geen wetenschap uit.
Klager heeft de Seat meermalen aan zijn vriend [beslagene] uitgeleend. Het gaat echter te ver om te stellen dat [beslagene] de feitelijke rechthebbende en eigenaar van de Seat is, omdat hij op meerdere momenten in de Seat is gezien.
Verzocht wordt dan ook om het klaagschrift gegrond te verklaren en de beslissing tot verbeurdverklaring te herroepen.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij het schriftelijke standpunt van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat beslagene [beslagene] de feitelijke gebruiker en eigenaar van de Seat is en het voertuig heeft gebruikt bij het plegen van strafbare feiten. Daarmee komt het voertuig voor verbeurdverklaring in aanmerking en heeft de politierechter juist geoordeeld door bij vonnis van 17 februari 2026 de verbeurdverklaring van de Seat uit te spreken. Het klaagschrift dient dan ook ongegrond te worden verklaard.
Klager heeft in raadkamer aangevoerd dat hij over twee voertuigen beschikte en om die reden de Seat kon uitlenen aan zien vriend [beslagene]. Hij wist niets af van de strafbare praktijken van zijn vriend. Klager wenst teruggave van de Seat, nu hij dit voertuig nodig heeft voor zijn werk in de zorg en voor zijn twee kinderen. Klager beschikt weliswaar nog over een Kia, maar deze is oud en aan vervanging toe.
Belanghebbende [beslagene] heeft in raadkamer aangevoerd dat hij de Seat van klager mocht lenen, maar niet constant in gebruik heeft gehad. Tussentijds bracht [beslagene] de Seat steeds terug naar klager. Klager heeft niets met de handel in drugs te maken.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.