ECLI:NL:RBZWB:2026:8120
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Uitspraak
- 14 april 2026
- Zaaknummer
- 26-003326
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Raadkamer
Inhoudsindicatie
Beleidssepot. Afwijzen. Verdenking aan zichzelf te wijten
Uitspraak
1 De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het op 30 januari 2026 bij de griffie ingediende verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 846,52, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 420,00 als forfaitaire vergoeding voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 825,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving intrekking strafbeschikking sepot (oud feit) van 5 november 2025;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie;
de overige stukken in het raadkamerdossier.
Op 31 maart 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. P. Kuipers en mr. M. Broere als gemachtigd advocaat van verzoeker, gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is verzocht de vergoeding van bovengenoemde kosten toe te wijzen.
De verdenking is afgedaan met een sepot vanwege tijdsverstrijking. Verzoeker heeft altijd ontkend de bestuurder van de auto te zijn geweest en het strafbare feit dus niet te hebben gepleegd. Aangezien verzoeker in zijn onschuld volhardt, is er geen situatie die onmiskenbaar tot een veroordeling zou leiden en kan, en mag, niet alsnog via de verzoekschriftprocedure een schuldvraag worden beantwoord. Daarbij is verwezen naar de bestendige jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem Leeuwarden en de rechtbank Gelderland. Door te stellen dat uit het dossier kan worden afgeleid dat verzoeker wel de bestuurder van de auto was (herkenning door twee verbalisanten), geef je een antwoord op de schuldvraag.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijk reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat er geen gronden van billijkheid aanwezig zijn voor het toekennen van de verzochte vergoeding. Anders dan door de raadsman wordt gesteld is er niet enkel sprake van een herkenning van verzoeker als bestuurder van de auto, maar zijn er meerdere feiten en omstandigheden die maken dat verzoeker het aan zichzelf te wijten heeft dat de verdenking op hem is gevallen. Hij heeft zichzelf in een situatie gebracht die ertoe zou kunnen leiden - en er ook toe geleid heeft - dat hij kosten voor rechtsbijstand heeft moeten maken. Zo bleek de auto van zijn vader te zijn, bleek zijn rijbewijs te zijn ingevorderd, heeft hij herhaaldelijk een stopteken van de politie genegeerd en heeft hij gevaarlijk rijgedrag vertoond. Daarnaast werd nog een aanzienlijke hoeveelheid vuurwerk en geld in de auto aangetroffen. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan er geen sprake zijn van een vergoeding. Het verzoek dient daarom te worden afgewezen.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.