ECLI:NL:RBOBR:2026:4629
Rechtbank Oost-Brabant
- Uitspraak
- 2 juli 2026
- Zaaknummer
- 01.023423.26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Vrijspraak art. 6 WVW, veroordeling art. 5 WVW, toepassing art. 9a Sr. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van gevaar en hinder op de weg. Hij is met zijn auto linksaf geslagen zonder zich in voldoende mate ervan te vergewissen dat de kruising vrij was van verkeer. Doordat verdachte geen voorrang heeft verleend aan een hem tegemoetkomende motorfiets, heeft er een ongeval plaatsgevonden. Als gevolg van dit ongeval is de bestuurster van de motorfiets overleden en heeft de opzittende zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank vindt niet bewezen dat verdachte in aanmerkelijke mate onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam is geweest en acht dus niet bewezen dat hij schuld heeft gehad aan het verkeersongeval. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval met het opleggen van een straf geen strafdoel is gediend. Vanuit het oogpunt van vergelding en vanuit het oogpunt van preventie heeft een straf in deze zaak geen toegevoegde waarde. De rechtbank zal dan ook toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr en aan verdachte geen straf opleggen.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.