ECLI:NL:RBMNE:2024:7958
Rechtbank Midden-Nederland
- Uitspraak
- 22 oktober 2024
- Zaaknummer
- 16-706386-17
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
De vordering tot ontneming wordt afgewezen.
Uitspraak
1 PROCESVERLOOP
Op 29 januari 2019 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland
veroordeelde veroordeeld voor onder andere het deelnemen aan een criminele organisatie die tot doel had het plegen van woninginbraken.
De officier van justitie heeft eerder schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel (als bedoeld in artikel 36°, lid 5, van het Wetboek van Strafrecht) wordt geschat en aan veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 76.604,74 ter ontneming van het uit de zaak met
parketnummer 16/706386-17 voortvloeiende wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op de regiezitting van 15 januari 2021 heeft de officier van justitie de vordering verlaagd tot
een bedrag van € 59.546.05, vanwege een toegewezen verzoek tot schadevergoeding in de
zaken van veroordeelde en medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] . Volgens de officier van justitie
moest het bedrag hoofdelijk aan alle vier de veroordeelden, te weten veroordeelde,
[medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 3] , worden ontnomen.
De rechtbank heeft ter terechtzitting van 15 januari 2021 het onderzoek in de ontnemingszaak aangehouden tot 25 juni 2021 voor nader onderzoek.
Het onderzoek is vervolgens hervat ter terechtzitting van 25 juni 2021. Op deze zitting heeft
de officier van justitie laten weten dat inmiddels een ontnemingsschikking met veroordeelde
was getroffen en dat de zaak niet inhoudelijk behandeld hoefde te worden. Gelet hierop heeft de rechtbank op 6 augustus 2021 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat het Openbaar Ministerie de mogelijkheid kreeg om de zaak opnieuw aan te brengen indien veroordeelde onverhoopt niet zou voldoen aan de schikkingsvoorwaarden.
De schikkingsovereenkomst van 24 juli 2021, welke veroordeelde op 8 juli 2021 heeft ondertekend, houdt in dat veroordeelde de Staat der Nederlanden een geldbedrag van
€ 1.500,- moet betalen, met aftrek van de waarde van de motorfiets van veroordeelde
(€ 500,-), waarop conservatoir beslag is gelegd. Veroordeelde is ermee akkoord gegaan om het restant van voornoemd bedrag, te weten € 1.000,-, te betalen in 10 termijnen van € 100,-.
Uit een brief van het CJIB van 2 mei 2024 is gebleken dat de schikking van € 1.500,- niet is afgedaan.
De officier van justitie heeft op 10 september 2024 alsnog schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel (als bedoeld in artikel 36°, lid 5, van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 19.151,11 ter ontneming van het uit de zaak met parketnummer 16/706386-17 voortvloeiende wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van de officier van justitie mr. D.P.L. ter Laak.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.