ECLI:NL:RBGEL:2026:6710
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 27 augustus 2026
- Zaaknummer
- 05/091921-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor artikel 6 Wegenverkeerswet. Verdachte heeft op een ongeschikte plek gekeerd, daarbij onvoldoende rekening gehouden met andere weggebruikers en daardoor een ongeval veroorzaakt waardoor een andere auto op de kop in de sloot is beland. Een van de inzittenden raakte hierbij zwaargewond. De rechtbank legt een taakstraf op van 120 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Waardenburg, gemeente West Betuwe als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Steenweg /N830, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
- niet, althans in onvoldoende mate op het achter hem gelegen weggedeelte van die weg en/of het overige verkeer ter plaatse heeft gelet en/of is blijven letten en/of
- in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een bijzondere manoeuvre heeft verricht, namelijk keren op de weg, zonder daarbij het overige verkeer voorrang te verlenen en/of
- bij het keren op de weg gebruik heeft gemaakt van een bushalteplaats en/of
- ( vervolgens) tijdens het keren een op dezelfde weghelft rijdende personenauto (merk Skoda) niet (tijdig) heeft waargenomen en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met voornoemde personenauto (merk Skoda),
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Waardenburg, gemeente West Betuwe als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Steenweg /N830,
- niet, althans in onvoldoende mate op het achter hem gelegen weggedeelte van die weg en/of het overige verkeer ter plaatse heeft gelet en/of is blijven letten en/of
- in strijd met artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een bijzondere manoeuvre heeft verricht, namelijk keren op de weg, zonder daarbij het overige verkeer voorrang te verlenen en/of
- bij het keren op de weg gebruik heeft gemaakt van een bushalteplaats en/of
- ( vervolgens) tijdens het keren een op dezelfde weghelft rijdende personenauto (merk Skoda) niet (tijdig) heeft waargenomen en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met voornoemde personenauto (merk Skoda),
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Waardenburg, gemeente West Betuwe als bestuurder van een personenauto (merk Audi) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Steenweg /N830, is gekeerd, althans is gaan keren zonder een personenauto (merk Skoda) voor te laten gaan, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 27 oktober 2025 vond een aanrijding plaats op de Steenweg in Waardenburg. Een Audi, bestuurd door verdachte, en een Skoda, met daarin onder meer het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), botsten daarbij tegen elkaar. De Skoda belandde op z’n kop in de naastgelegen sloot.
[slachtoffer] liep door het ongeval letsel op, te weten een hoofdwond en blauwe plekken, een klaplong met bloeding, aangezichtsfracturen, ribfracturen, een hersenbloeding en een schedelfractuur. De verwachte hersteltijd werd ingeschat op 1 tot 2 jaar.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW) waarbij de mate van schuld als aanmerkelijk dient te worden aangemerkt. Verdachte heeft de verkeersvoorschriften overtreden door bij het keren geen voorrang te verlenen aan andere weggebruikers, door gebruik te maken van de bushalteplaats en door onvoldoende op het overige verkeer te letten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het primair tenlastegelegde, omdat de ondergrens van verwijtbare onvoorzichtigheid of onoplettendheid niet wordt gehaald. De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.
Beoordeling door de rechtbank
De politie heeft onderzoek verricht naar de omstandigheden en toedracht van het ongeval. Aan de hand van de schades van de twee voertuigen kon de politie deze op elkaar passen. Hieruit konden bij benadering de botsposities worden bepaald. Hieruit bleek dat de Skoda met zijn voorzijde in botsing kwam met de linkerzijde van de Audi. Gelet op de schades stond de Audi schuin ten opzichte van de rijrichting van de Skoda.
Verder heeft de politie onderzoek verricht naar kras- en bandensporen op de weg. Aan de hand van die bevindingen heeft de politie vastgesteld dat de Audi vanaf de rechtsgelegen bushalte de rijbaan van de Steenweg (N830) opreed. Bij het oprijden van de rijbaan liet de bestuurder van de Audi de voor hem van achteren naderende bestuurder van de Skoda niet voorgaan, als gevolg waarvan de beide voertuigen met elkaar in botsing kwamen.
In interpretatie van de bevindingen van het Forensisch onderzoek plaats delict van de politie forensische opsporing verkeersongevallenanalyse staat dat tijdens het PD-onderzoek geen bijzonderheden zijn geconstateerd voor wat betreft de inrichting en het onderhoud van de weg, die mogelijk van invloed geweest kunnen zijn geweest. Daarmee wordt door onderzoekers de hypothese dat het verkeersongeval is ontstaan door de factor omgeving uitgesloten. Bij het technisch onderzoek aan de betrokken voertuigen zijn geen technische gebreken geconstateerd die de oorzaak of van invloed zouden kunnen zijn geweest. Daarmee wordt door onderzoekers ook de hypothese dat het verkeersongeval is ontstaan door de factor voertuig-technisch defect uitgesloten. Gezien de aangetroffen schades aan de betrokken voertuigen en de eindposities van de voertuigen hebben onderzoekers geen aanwijzingen gevonden dat de botssnelheid van de Skoda (fors) hoger was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 80 km/u.
Getuige [getuige 1] , de chauffeur van de Skoda, heeft verklaard dat hij voor hem een auto rechts over een busbaan heen zag rijden en dat deze persoon een soort ‘U-turn’ wilde maken. De auto reed vanaf de bushalte ineens zijn rijstrook op.
Getuige [getuige 2] , bijrijder van de Skoda, heeft verklaard dat hij een zwarte auto naar rechts zag gaan en vervolgens ineens links hun rijstrook op kwam. Ze raakten met de voorkant van de auto de linkerflank van de zwarte auto.
De rechtbank stelt op grond van de resultaten van het forensisch onderzoek en de verklaringen van de inzittenden van de Skoda vast dat verdachte rechts, in elk geval deels, over de bushalte reed en vervolgens de rijstrook van recht doorgaand verkeer opreed. Daarbij heeft hij de Skoda, die voorrang had, niet opgemerkt en niet voor laten gaan. Door deze gedraging van verdachte zijn de voertuigen met elkaar in botsing gekomen. De suggestie van de verdediging dat verdachte op de rijstrook voor rechtdoor reed en door de Skoda in de zijkant is gereden terwijl die hem via de strook voor links afslaand verkeer zou hebben willen inhalen, vindt geen enkele steun in het dossier.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW, zoals primair is ten laste gelegd, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte door een bijzondere manoeuvre uit te voeren (keren op de weg) op een plek die daarvoor niet geschikt was en zonder het overige verkeer voor te laten gaan, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden als gevolg waarvan het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft daarom schuld aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW. Het letsel van [slachtoffer] , bestaande uit onder meer diverse botbreuken in het gezicht en lichaam, een hersenbloeding en een klaplong is naar gewoon spraakgebruik aan te merken als zwaar lichamelijk letsel, gelet op de aard en de gevolgen daarvan zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt (waaronder een geschatte hersteltijd van 1 tot 2 jaar). De rechtbank veroordeelt verdachte daarom voor het primair tenlastegelegde.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.