ECLI:NL:RBGEL:2026:6469
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 17 augustus 2026
- Zaaknummer
- 05/126639-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het verlaten van een plaats ongeval tot een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte wegens het veroorzaken van gevaar op de weg, waardoor een ongeval is ontstaan, tot een geldboete van € 750,-. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Vrijspraak overtreding artikel 6 WVW 1994.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij, als degene die als bestuurder van een voertuig (personenauto) bij een verkeersongeval was betrokken en welk verkeersongeval had plaatsgevonden te Nieuwaal, rijdende op de Hogeweg, op 28 februari 2026 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en/of schade was toebracht en/of die voornoemde ander, aan wie bij dat ongeval letsel was toebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;
2.hij op of omstreeks 28 februari 2026 te Nieuwaal, gemeente Zaltbommel als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Hogeweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl het nacht was en/of terwijl hij een flauwe bocht naar rechts naderde en/of terwijl een bedrijfsauto met aanhanger op de Hogeweg stilstond met de verlichting aan,
- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- in strijd met artikel 11 van voornoemd reglement het voertuig niet links heeft ingehaald, maar rechts en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een persoon die zich - vanuit de rijrichting van verdachte bezien - aan de rechterzijde van de bedrijfsauto met aanhanger bevond,
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 februari 2026 te Nieuwaal, gemeente Zaltbommel als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Hogeweg, terwijl het nacht was en/of terwijl hij een flauwe bocht naar rechts naderde en/of terwijl een bedrijfsauto met aanhanger op de Hogeweg stilstond met de verlichting aan,
- zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
- in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- in strijd met artikel 11 van voornoemd reglement het voertuig niet links heeft ingehaald, maar rechts en/of
- is gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een persoon die zich - vanuit de rijrichting van verdachte bezien - aan de rechterzijde van de bedrijfsauto metaanhanger bevond,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 februari 2026 te Nieuwaal, gemeente Zaltbommel als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Hogeweg, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een persoon die zich - vanuit de rijrichting van verdachte bezien - aan de rechterzijde van de stilstaande bedrijfsauto met aanhanger bevond.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde is volgens de officier van justitie sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en onoplettendheid en heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde.
Ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De verdediging betwist dat verdachte te hard heeft gereden en/of zijn telefoon heeft gebruikt.
Ten aanzien van het onder 2 subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
De bewijsmiddelen
Op 28 februari 2026 omstreeks 1:30 uur vond een verkeersongeval plaats op de Hogeweg ter hoogte van nummer [nummer] in Nieuwaal. Hierbij waren verdachte, die in zijn gele Kia Picanto met kenteken [kenteken] reed, en [slachtoffer] betrokken.
De Hogeweg bestaat uit één rijbaan voor verkeer uit beide richtingen die niet is voorzien van een as-markering. Op de plaats van het ongeval maakt deze weg een lichte bocht naar rechts. Ter plaatse bedraagt de maximumsnelheid 80 kilometer per uur. De breedte van de rijbaan is ongeveer 4,75 meter van asfaltrand tot asfaltrand. Aan de binnenzijde van de bocht staan meerdere bomen langs de rijbaan.
De politie was om 1:40 uur ter plaatse. Zij zagen dat er een gele Kia Picanto op de weg stond. Er zat een gat in de voorruit aan de bestuurderszijde. Er waren geen personen te bekennen in de buurt van het voertuig. Ter hoogte van huisnummer [nummer] stond een bus (de rechtbank begrijpt: een bedrijfsauto), waaraan een aanhanger was gekoppeld. De lampen en de gevarenlampen van de bus brandden. Er liepen over een afstand van ongeveer tien meter bandensporen door de berm. Deze sporen liepen tegen een boom aan. Ongeveer tien meter verder lag [slachtoffer] op de grond. Omstreeks 2:25 uur kwam verdachte uit de richting van perceelnummer 14a gelopen.
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij in de berm stond toen het opeens zwart voor zijn ogen werd.
[getuige] , de partner van [slachtoffer] , heeft verklaard dat [slachtoffer] en zij allebei in de berm stonden.
Uit onderzoek van de politie blijkt dat de bus stil stond op de rijbaan in de flauwe bocht naar rechts. Verdachte reed 280 meter vóór de bedrijfsauto met een indicatieve gemiddelde snelheid van 79 kilometer per uur. Door de bomen aan de binnenzijde van de bocht kon verdachte de verlichting van de bedrijfsauto pas op een later moment waarnemen. Verdachte probeerde een botsing met de bedrijfsauto te voorkomen en passeerde de bedrijfsauto aan de rechterkant, gedeeltelijk via de berm. Hierdoor raakte hij [slachtoffer] . Verdachte is ongeveer 150 meter verderop gestopt.
De politie heeft vastgesteld dat verdachte op ongeveer 83,5 meter afstand de koplampen van de bedrijfsauto goed had kunnen waarnemen. Als hij op dat moment had geremd, had hij zijn voertuig op tijd tot stilstand kunnen brengen voor de bedrijfsauto. Dit was meer dan een comfortabele remming geweest, maar veel minder dan een noodremming.
Aan de rechterzijde van de bedrijfsauto had verdachte 0,66 meter ruimte om te passeren. Dit is gemeten vanaf de buitenzijde van de aanhangwagen tot aan de asfaltrand. Hierbij is de bermverharding, een verharde strook van beton, van ongeveer 0,5 meter niet meegenomen. De auto van verdachte is zonder buitenspiegels ongeveer 1,59 meter breed.
Verdachte heeft verklaard dat hij in een lange, flauwe, onoverzichtelijke bocht reed. Verdachte was ter plaatse bekend, omdat hij tien tot vijftien keer per week op die weg rijdt. Hij wist dat het een smalle weg was.
Toen verdachte de bedrijfsauto opmerkte, dacht hij in eerste instantie dat er een tegenligger aan kwam. Hij zag veel te laat dat de bedrijfsauto stil stond aan de kant van de weg waar verdachte reed. Toen hij de bedrijfsauto naderde, heeft verdachte geremd. Verdachte heeft in een reflex naar rechts gestuurd, omdat hij langs de bedrijfsauto wilde sturen en er, naar zijn mening, genoeg ruimte was. Op het laatste moment zag hij mensen staan, maar het was te laat om te kunnen reageren. Verdachte heeft één van hen geraakt. Verdachte kreeg deze persoon op zijn voorruit. De persoon rolde van de auto. De auto van verdachte is uitgerold.
Verdachte stapte uit en wilde naar de persoon toe lopen, maar raakte in paniek toen hij een vrouw heel hard hoorde gillen. Verdachte had niet gemerkt dat er meer dan één persoon op de plaats van het ongeval aanwezig was. Verdachte is in paniek naar een vriend gerend, waar hij na aankomst weer vertrok om terug te gaan naar de plaats van het ongeval. Verdachte vond dat hij de situatie niet goed kon overzien en dat hij te laat heeft gereageerd. Hij werd nergens door afgeleid.
De beoordeling van feit 1
Verdachte was rond 1:30 uur betrokken bij een verkeersongeval. Daarbij merkte hij dat hij een persoon op zijn voorruit kreeg die vervolgens van de auto van verdachte rolde. Op basis hiervan moest verdachte redelijkerwijs vermoeden dat er door het ongeval aan iemand letsel was toegebracht.
Verdachte is echter na te zijn uitgestapt in paniek weggerend. Hij was pas rond 2:25 uur terug op de plaats van het ongeval. Daarmee heeft hij [slachtoffer] in hulpeloze toestand achtergelaten. Verdachte had niet zomaar mogen wegrennen, ook al was hij in paniek, maar hij had [slachtoffer] onmiddellijk hulp moeten aanbieden.
Dat later bleek dat de partner van [slachtoffer] en enkele anderen zich om [slachtoffer] hebben bekommerd en hem hebben geholpen, maakt dat niet anders.
De rechtbank vindt dan ook dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De beoordeling van feit 2
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van dit artikel komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (zie het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:470). Het gedrag van de verdachte wordt in die beoordeling afgemeten aan dat wat van een verkeersdeelnemer in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Dit toetsingskader brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.
Bovendien kan uit de rechtspraak van de Hoge Raad niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt (zie het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, r.o. 2.6.3).
De rechtbank overweegt dat verdachte op ongeveer 83,5 meter afstand van de bedrijfsauto deze had kunnen waarnemen en nog tijdig tot stilstand had kunnen komen. Verdachte heeft echter onvoldoende afgeremd. Daardoor lag zijn snelheid te hoog om de onoverzichtelijke – en gelet op het tijdstip ook ongebruikelijke – verkeerssituatie goed in te schatten. Hierdoor had hij onvoldoende tijd om de voor die specifieke situatie juiste keuze te maken, te weten volledig tot stilstand komen of de bedrijfsauto aan de linkerkant inhalen. Verdachte werd door zijn snelheid echter gedwongen om in een reflex een keuze te maken en heeft verkeerd gekozen door er aan de rechterkant langs te gaan, waar [slachtoffer] en zijn partner in de berm stonden.
De rechtbank vindt dat het handelen van verdachte zonder meer als onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam kan worden aangemerkt. Van aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam handelen, is in de ogen van de rechtbank echter geen sprake.
Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 2 primair tenlastegelegde.
Doordat verdachte te hard reed voor de situatie ter plaatse en te hard reed om nog te kunnen stoppen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en deze vrij was, is verdachte tegen een persoon gebotst die zich aan de rechterzijde van de bedrijfsauto bevond.
Door deze gedragingen werd gevaar op de weg veroorzaakt en kon het verkeer op die weg worden gehinderd.
Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde.
Uit het procesdossier blijkt niet dat verdachte zijn aandacht gedurende enige tijd niet of onvoldoende op het overige verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse heeft gericht. Hij was bijvoorbeeld niet bezig met zijn telefoon. Daarom zal de rechtbank hem vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Verder vindt de rechtbank dat het verdachte niet kan worden verweten dat hij rechts heeft geprobeerd in te halen, omdat de rechtbank het, gegeven de situatie, voorstelbaar vindt dat verdachte zich heeft vergist in de positie van de bedrijfsauto op de weg en de beschikbare ruimte in die split second niet goed heeft kunnen inschatten. Ook hiervan zal de rechtbank hem vrijspreken.
Conclusie
De rechtbank acht feit 1 en feit 2 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.