ECLI:NL:RBGEL:2026:6148
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 29 juli 2026
- Zaaknummer
- 26/001
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
De meervoudige militaire kamer bevestigt in een militaire tuchtzaak de beslissing van de beklagmeerdere waartegen beroep is ingesteld. Geen vormverzuimen en geen geslaagd beroep op een rechtvaardigingsgrond.
Uitspraak
1 Verloop en procedureverloop
1.1.
Aanloop
Op 26 februari 2026 om 22:15 uur heeft zich een incident voorgedaan tussen gestrafte en Sergeant [betrokkene] . Op verzoek van de klassencommandant heeft [Eerste Luitenant] over het voorval een gesprek gevoerd met betrokkenen. Hij heeft eerst geïnventariseerd of er getuigen waren van het incident. Hieruit kwam naar voren dat Sergeant [getuige] direct zicht had op het incident en dat er – behalve aanwezige leerlingen – verder niemand was die het gehele voorval heeft kunnen zien. [Eerste Luitenant] heeft vervolgens gesproken met gestrafte, Sergeant [betrokkene] en Sergeant [getuige] . [Eerste Luitenant] maakte uit de drie verklaringen op dat gestrafte een duw had gegeven aan Sergeant [betrokkene] . Op 27 februari 2026 om 19:30 uur heeft [Eerste Luitenant] gestrafte aangezegd naar huis te gaan. Hierna heeft hij bij ongedateerde e-mail melding gemaakt van het incident bij de [Majoor] . [Majoor] heeft op 10 maart 2026 vervolgens zelf telefonisch gesproken met Sergeant [betrokkene] .
1.2.
Eerste aanleg
Aan gestrafte is op 12 maart 2026 om 11:32 uur een schriftelijke beschuldiging uitgereikt wegens schending van de gedragsregel als vermeld in artikel 22 WMT, waarmee het tuchtproces in eerste aanleg is aangevangen (artikel 51 lid 2 WMT). Er heeft geen vooronderzoek plaatsgevonden. De beschuldiging ingevolge het straffenformulier ( [nummer] ) luidt:
“Op donderdagavond 26FEB heeft zich op of omstreeks 22:10 een voorval afgespeeld tussen SGT [gestrafte] en SGT [betrokkene] . Bij dit voorval zou fysiek contact zijn geweest tussen betrokkenen: SGT [gestrafte] heeft met beide handen een stevige duw gegeven op de borst van SGT [betrokkene] . Daarbij zei SGT [gestrafte] geagiteerd: “Ga weg, laat me met rust”, of woorden van gelijke strekking. Bij dit voorval waren leerlingen [Beroepsverdiepende Opleiding] en andere instructeurs aanwezig. Het fysieke contact werd geïnitieerd door SGT [gestrafte] . Er was geen duidelijke aanleiding voor het fysieke contact.”
Op 28 maart 2026 om 10:30 uur is het onderzoek op rapport (‘de parade’) gehouden. Hierbij was gestrafte aanwezig. Op 28 maart 2026 om 11:00 uur is de beslissing van de commandant, te weten: een geldboete van € 150,- aan gestrafte uitgereikt. Tegen deze uitspraak heeft gestrafte een beklagschrift ingediend dat op 1 april 2026 door de beklagmeerdere is ontvangen.
1.3.
Beklagprocedure
Op 23 april 2026 heeft het vooronderzoek in beklag plaatsgevonden, waarbij gestrafte is gehoord. [Majoor] is als de ‘Tot Straffen Bevoegde Meerdere’ (TSBM) telefonisch gehoord en Sergeant [betrokkene] en Sergeant [getuige] zijn telefonisch gehoord als getuigen. Het onderzoek op beklag heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026, waarbij gestrafte door de beklagmeerdere is gehoord. De beklagmeerdere heeft op 1 mei 2026 beslist, welke uitspraak op beklag diezelfde dag ook aan gestrafte is uitgereikt. Daarbij heeft de beklagmeerdere de bestreden beslissing van de commandant, voorzien van een schriftelijke motivering, bevestigd.
Gestrafte heeft tegen de uitspraak op beklag beroep ingesteld op 5 mei om 13:49 uur. Het beroepschrift is, overeenkomstig artikel 82 WMT, door de commandant op 6 mei 2026 om 14:38 uur doorgezonden aan het Bureau Verbindingsofficier Krijgsmacht. Op 7 mei 2026 hebben zij het beroepschrift doorgezonden aan de militaire kamer in de rechtbank Gelderland.
1.4.
Beroep
Het beroep is op 15 juli 2026 ter openbare zitting van de meervoudige militaire kamer behandeld. Gestrafte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. Voorts zijn verschenen Kolonel [beklagmeerdere] en Majoor [juridisch adviseur] die beiden het woord hebben gevoerd.
Gestrafte en zijn raadsman hebben ter terechtzitting aangevoerd dat gelet op de gestelde vormverzuimen en het feit dat de gedraging niet kan worden bewezen, het beroep gegrond moet worden verklaard en de tuchtstraf dient te worden vernietigd.
Het openbaar ministerie (hierna: OM) heeft voor de behandeling van het beroep ter zitting een schriftelijk advies over de zaak uitgebracht. De officier van justitie, mr. S. Markink-Grolman, heeft ter zitting het advies mondeling toegelicht. Dit advies luidt – kortgezegd – dat het tuchtproces op correcte wijze en binnen de gestelde termijnen is uitgevoerd, alsmede dat de in beklag bevestigde beslissing ook in beroep in stand dient te blijven.
De gestrafte heeft gelegenheid gehad tot het voeren van het laatste woord.
De meervoudige militaire kamer heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting in beroep beraadslaagd.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.