ECLI:NL:RBGEL:2026:6141
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 05.051198.26
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Man veroordeeld voor opzetaanranding. Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel vanwege gezondheidstoestand verdachte
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode tussen 18 oktober 2025 en 20 oktober 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal, in elk geval in Nederland met een persoon, te weten [aangever]een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het op/over de kleding vastpakken, althans betasten van de bil(len) en/of het onder de rok, maar op/over de onderkleding aanraken/betasten van haar geslachtsdeel en/of schaamstreek, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door die [aangever] (telkens) van achteren te benaderen en/of (vervolgens) de voornoemde seksuele handelingen oponverhoedse wijze te verrichten;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode tussen 18 oktober 2025 en 20 oktober 2025 te Groesbeek, gemeente Berg en Dal, in elk geval in Nederland, met een persoon, te weten [aangever] ,een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het op/over de kleding vastpakken, althans betasten van de bil(len) en/of het onder de rok, maar op/over de onderkleding aanraken/betasten van haar geslachtsdeel en/of schaamstreek, terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten gekwalificeerde opzetaanranding waarbij sprake was van dwang.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Verdachte ontkent met klem seksuele handelingen te hebben verricht bij aangeefster. Van steunbewijs is onvoldoende sprake. Daarbij geeft de raadsman aan dat de getuigenverklaringen tegenstrijdigheden bevatten.
Beoordeling door de rechtbank
Aangeefster [aangever] heeft verklaard dat zij op 18 oktober 2025 met een vriendengroep
naar het Oktoberfest in Groesbeek ging. Bij de groep was ook [verdachte] uit [woonplaats] (hierna: verdachte) aanwezig. Verdachte had veel alcohol op. Heel onverwachts stond hij opeens achter haar. Verdachte kneep met de stof van haar rok in zijn hand in haar bil. Aangeefster schrok, draaide zich om en zei: “Rot op, hier ben ik niet van gediend.” Aangeefster gaf verdachte een duw en verdachte viel bijna om omdat hij zo dronken was. Aangeefster gaf verdachte een boze blik, waarna verdachte wegging. Om 00:10 uur, het was inmiddels 19 oktober, kwam er reuring in de groep door het gedrag van verdachte. Terwijl aangeefster bij de groep stond, stond verdachte achter haar en ging hij met zijn volle hand onder haar rok. Aangeefster droeg onder haar rok een onderbroek en een wielrenbroekje. Hij raakte met zijn vinger haar geslachtsdelen aan. Dit ging best wel hard. Aangeefster keek achterom en zag verdachte. Zij riep iets en liep overstuur weg.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte bij haar nichtje (de rechtbank begrijpt: aangeefster) flink onder haar rokje zat. Verdachte pakte aangeefster van achteren. Het ging snel, verdachte ging eronder en meteen weer terug. Verdachte raakte het geslachtsdeel van aangeefster aan. [getuige 1] wist dit, omdat verdachte zo diep onder het rokje van aangeefster ging. Aangeefster liep gelijk overstuur weg. [getuige 1] liep achter aangeefster aan. Aangeefster vertelde haar dat verdachte eerder die avond al aan haar billen had gezeten.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte die avond ver aangeschoten was. Hij zag dat verdachte een beetje vervelend werd naar andere vrouwen. [getuige 2] hoorde van zijn stiefzoon [naam] dat verdachte iets had gedaan bij een andere vrouw, waarna door de groep besloten werd om naar huis te gaan. [getuige 2] liep met [naam] achter verdachte aan. Aangeefster stond met haar rug naar hen toe en met haar gezicht naar het groepje. Verdachte liep naar aangeefster toe en greep haar van achteren. Hij maakte een onderhandse beweging naar haar kruis en zei: “Hoppa!” [getuige 2] zag dat verdachte met zijn hand aangeefster van achteren in haar kruis greep. Aangeefster draaide zich gelijk om en duwde hem hard weg.
Betrouwbaarheid aangeefster
Ten laste gelegd is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan aanranding van aangeefster, door haar eerst in haar bil te knijpen en later op de avond zijn hand onder haar rokje te doen en haar geslachtsdelen aan te raken. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van aangeefster authentiek, gedetailleerd en specifiek is. Aangeefster heeft in haar aangifte specifiek verklaard hoe en op welke plekken verdachte haar aanraakte. Zo verklaarde zij dat verdachte met de stof van haar rok in zijn hand in haar bil kneep. Daarnaast verklaarde zij dat verdachte met zijn volle hand onder haar rokje ging, dat dit best hard ging, en dat hij met zijn vinger haar geslachtsdelen aanraakte. De rechtbank ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van haar verklaring te twijfelen.
In artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de rechter het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan baseren op de verklaring van één getuige of aangever. Alleen de verklaring van aangeefster is dus onvoldoende. Er moet meer bewijs zijn, iets dat de aangifte ondersteunt, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Die ondersteuning hoeft niet te gelden voor alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat in elk geval een deel van de feiten en omstandigheden die in de aangifte worden genoemd ondersteuning vinden in een of meer andere bewijsmiddelen (Zie bijvoorbeeld: HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:957).
De rechtbank is van oordeel dat het dossier voldoende steunbewijs biedt voor het betasten van de geslachtsdelen van aangeefster door verdachte. De verklaring van aangeefster wordt op dit punt namelijk ondersteund door de verklaringen van getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] . De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben allebei verklaard dat zij zagen dat verdachte aangeefster van achteren in haar kruis greep en dat aangeefster hier gelijk op reageerde. [getuige 1] verklaarde, net als aangeefster, dat verdachte vol onder het rokje van aangeefster ging en haar kruis aanraakte, en dat aangeefster daarna overstuur wegliep. De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van deze getuigen (onderlinge) tegenstrijdigheden zouden bevatten, zodat deze niet als steunbewijs zouden kunnen worden gebruikt. De rechtbank volgt de raadsman hierin niet. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover al sprake is van (onderlinge) tegenstrijdigheden of ongerijmdheden in de verklaringen, deze niet van dien aard zijn dat deze verklaringen niet als steunbewijs kunnen worden gebruikt.
De rechtbank is van oordeel dat ook het door verdachte knijpen in de bil van aangeefster, eerder op de avond, bewezen kan worden. Immers heeft getuige [getuige 1] verklaard dat aangeefster, direct nadat zij overstuur wegliep, aan haar heeft verteld dat verdachte eerder op de avond al aan haar billen had gezeten. Daarmee wordt de verklaring van aangeefster ook op dit punt in voldoende mate ondersteund door de verklaring van [getuige 1] .
De rechtbank merkt op dat de verklaring van verdachte - dat dergelijk gedrag niet bij hem past, en dat de aanranding daarom niet gebeurd is - wordt weerlegd door de verklaring van getuige [getuige 2] . [getuige 2] verklaarde dat verdachte die avond vervelend naar vrouwen werd en dat de groep naar huis besloot te gaan nadat verdachte iets bij een andere vrouw had gedaan. De rechtbank acht het ten slotte niet aannemelijk geworden dat aangeefster, samen met de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , belastend zouden hebben verklaard om geld of een schadevergoeding van verdachte te kunnen verkrijgen, zoals verdachte suggereert. Het dossier bevat in het geheel geen aanwijzingen dat sprake zou zijn van een financieel motief voor het doen van een valse beschuldiging.
De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde handelingen.
Opzetaanranding
De rechtbank zal vervolgens de vraag beantwoorden of er sprake is van opzetaanranding.
Opzetaanranding heeft betrekking op situaties waarin de dader opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of voor lief neemt. Daarbij kan sprake zijn van ‘vol’ opzet of – de ondergrens van de opzetvariant – voorwaardelijk opzet. In dat laatste geval heeft de dader bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt.
Volgens de Memorie van Toelichting is sprake van opzettelijk handelen als iemand een ander onverhoeds ontuchtig aanraakt. Hij weet dan dat hij voor dit handelen geen toestemming heeft. Daarmee kan opzet worden bewezen: “De opzetvariant van aanranding en verkrachting omvat ook de gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen. Het totaal onverwachts iemand op seksuele wijze betasten getuigt van opzettelijk handelen” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 222, nr. 3, p. 18).
Uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte aangeefster tweemaal van achteren greep, waarbij hij eenmaal in haar bil kneep en later op de avond haar onder haar rokje in haar kruis tastte. Door aangeefster van achteren te benaderen, hierbij geen verder contact te maken en haar opeens vast te pakken, heeft verdachte haar onverhoeds ontuchtig aangeraakt. Verdachte wist dat hij geen toestemming had voor deze aanrakingen. Daarbij komt dat aangeefster, nadat verdachte in haar bil kneep, al tegen verdachte had aangegeven dat hij moest oprotten en dat zij niet gediend was van zijn aanrakingen. Desondanks besloot verdachte om later die avond met zijn hand onverhoeds onder het rokje van aangeefster te gaan en haar geslachtsdelen te betasten. Daarmee acht de rechtbank – voor beide momenten - bewezen dat verdachte opzettelijk aangeefster heeft aangerand, terwijl hij wist dat bij aangeefster de wil ontbrak voor het ondergaan van deze handelingen.
Levert onverhoeds handelen dwang op?
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte aangeefster heeft gedwongen tot het dulden van deze seksuele handelingen, en dus of sprake is van gekwalificeerde opzetaanranding.
Door de officier van justitie is aangevoerd dat het onverhoedse handelen van verdachte dwang oplevert. Daarmee zou gekwalificeerde opzetaanranding bewezen kunnen worden verklaard.
De rechtbank kijkt hier anders tegenaan en overweegt het volgende.
Onder de oude artikelen 242 en 246 Sr konden verkrachting en (feitelijke) aanranding alleen bewezen worden als sprake was van geweld of een andere feitelijkheid dan wel bedreiging daarmee, kort gezegd: ‘dwang’. Dat leidde ertoe dat met name het bestanddeel ‘andere feitelijkheid’ (en daarmee het aspect van dwang) gaandeweg steeds ruimer werd uitgelegd om tegemoet te komen aan de maatschappelijke behoefte seksuele handelingen, waarbij een van de betrokkenen zich onder druk gezet voelde, onder deze strafbepalingen te kunnen brengen en niet straffeloos te laten zijn. Uitgangspunt hierbij was: “De term "dwingt" in art. 242 Sr dient aldus te worden verstaan dat daaraan slechts is voldaan indien het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte mede omvat dat hij iemand handelingen die bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen, doet ondergaan tegen zijn of haar wil.” (HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2194; NJ 2019/241).
De nieuwe Wet seksuele misdrijven gaat uit van een ander concept van strafbaar handelen. Seksueel handelen dat al dan niet evident plaats vindt tegen de wil van de ander, is reeds om die reden strafbaar. Opzetaanranding is strafbaar gesteld in het eerste lid van artikel 241 Sr. Als een verdachte daarbij dwang heeft toegepast, is sprake van de gekwalificeerde delictsvorm die strafbaar is gesteld onder lid 2. Dwang, in welke vorm dan ook, is niet meer nodig om grensoverschrijdend seksueel handelen strafbaar te doen zijn. Daarom dient naar het oordeel van de rechtbank de onderhavige zaak onder de huidige wetgeving anders te worden beoordeeld.
De betekenis die onder het oude wetsartikel aan het bestanddeel dwang werd gegeven, kan daarom niet zonder meer worden gelijkgesteld aan de betekenis ervan in de nieuwe wet. De enkele omstandigheid dat artikel 241 lid 2 Sr de ‘rechtsopvolger’ is van artikel 246 (oud) Sr, rechtvaardigt die conclusie niet, juist vanwege het principiële verschil tussen beide wettelijke regelingen.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat voor het geven van nadere invulling aan de strafbepalingen onder de nieuwe wetgeving, de nodige terughoudendheid moet worden betracht bij het gebruik van rechterlijke uitspraken onder het regiem van de oude wetgeving. Er is geen reden om enkele gedragingen die voorheen leidden tot de conclusie ‘dwang’ onder de nieuwe wetgeving nog deze betekenis te laten toekomen. Dat geldt met name voor het aspect ‘onverhoeds optreden’. Hierdoor heeft de dader weliswaar het slachtoffer de mogelijkheid ontnomen zich bijtijds teweer te stellen en haar wil kenbaar te maken, maar het rechtvaardigt niet langer de conclusie dat daarmee ook sprake is van dwang als bedoeld in artikel 241 lid 2 Sr. In gelijke zin oordelen de rechtbank Rotterdam en de rechtbank Den Haag, Rb Rotterdam 28 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1179, en Rb Den Haag 23 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2026:6317. In beide vonnissen wordt verwezen naar de niet eenduidige wetsgeschiedenis over de vraag of onverhoeds handelen ook ‘dwang oplevert’. De daar aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis duiden er eerder op dat onverhoeds handelen en dwang een nevengeschikte en aanvullende functie hebben en dus niet identiek zijn. De rechtbank sluit zich daarbij aan.
Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het strafverzwarende onderdeel “dwang”. Van geweld of bedreiging is ook niet gebleken, waardoor verdachte van deze onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Conclusie
De rechtbank acht de primair ten laste gelegde opzetaanranding wettig en overtuigend bewezen.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.