1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade
van het leven te beroven,
- voornoemde [slachtoffer 1] met benzine, althans een brandbare vloeistof, heeft overgoten en/of heeft overgegooid en/of een fles benzine, althans een brandbare vloeistof, op/in het gezicht, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gespoten en/of heeft gegooid en/of heeft leeg
geknepen,
- voornoemde [slachtoffer 1] een of meerdere malen (dreigend) de woorden heeft toegevoegd — zakelijke weergegeven — ‘ik steek de hele boel in brand, ik steek jullie in de brand’, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
- een beweging richting voornoemde [slachtoffer 1] heeft gemaakt met een aansteker in zijn hand en/of een aansteker een of meerdere malen aan heeft gestoken en/of gepoogd heeft aan te steken naast/in de buurt van voornoemde [slachtoffer 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
-voornoemde [slachtoffer 1] met benzine, althans een brandbare vloeistof, heeft overgoten en/of heeft overgegooid en/of een fles benzine, althans een brandbare vloeistof, op/in het gezicht, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gespoten en/of heeft gegooid en/of heeft leeg
geknepen,
-voornoemde [slachtoffer 1] een of meerdere malen (dreigend) de woorden heeft toegevoegd — zakelijke weergegeven — ‘ik steek de hele boel in brand, ik steek jullie in de brand', althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
-een beweging richting voornoemde [slachtoffer 1] heeft gemaakt met een aansteker in zijn hand en/of een aansteker een of meerdere malen aan heeft gestoken en/of gepoogd heeft aan te steken naast/in de buurt van voornoemde [slachtoffer 1] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- voornoemde [slachtoffer 1] met benzine, althans een brandbare vloeistof, te overgieten en/of te overgooien en/of een fles benzine, althans een brandbare vloeistof, op/in het gezicht, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 1] te spuiten en/of te gooien en/of leeg te knijpen,
- voornoemde [slachtoffer 1] een of meerdere malen (dreigend) de woorden toe te voegen — zakelijke weergegeven — 'ik steek de hele boel in brand ik steek jullie in de brand', althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
- een beweging richting voornoemde [slachtoffer 1] te maken met een aansteker in zijn hand en/of een aansteker een of meerdere malen aan te steken en/of te pogen aan te steken naast/in de buurt van voornoemde [slachtoffer 1] ;
2.
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade
van het leven te beroven,
- voornoemde [slachtoffer 2] een of meerdere malen (dreigend) de woorden toe heeft gevoegd — zakelijk weergegeven — 'ik steek jullie allebei in de brand’, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking,
- voornoemde [slachtoffer 2] met benzine, althans een brandbare vloeistof, heeft overgoten en/of heeft overgegooid en/of een fles benzine, althans een brandbare vloeistof, op/in het gezicht en/of de borst, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gespoten en/of heeft gegooid
en/of
- een of meerder malen een aansteker heeft aangestoken en/of heeft gepoogd aan te steken in de buurt van voornoemde [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- voornoemde [slachtoffer 2] een of meerdere malen (dreigend) de woorden toe heeft gevoegd — zakelijk weergegeven — ‘ik steek jullie allebei in de brand', althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking.
- voornoemde [slachtoffer 2] met benzine, althans een brandbare vloeistof, heeft overgoten en/of heeft overgegooid en/of een fles benzine, althans een brandbare vloeistof, op/in het gezicht en/of de borst, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 2] heeft gespoten en/of heeft gegooid
en/of
- een of meerder malen een aansteker heeft aangestoken en/of heeft gepoogd aan te steken in de buurt van voornoemde [slachtoffer 2] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- voornoemde [slachtoffer 2] een of meerdere malen (dreigend) de woorden toe te voegen — zakelijk weergegeven — 'ik steek jullie allebei in de brand', althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking,
- voornoemde [slachtoffer 2] met benzine, althans een brandbare vloeistof, te overgieten en/of te overgooien en/of een fles benzine, althans een brandbare vloeistof, op/in het gezicht en/of de borst, althans het lichaam, van voornoemde [slachtoffer 2] te spuiten en/of te gooien en/of
- een of meerdere malen een aansteker aan te steken en/of te pogen aan te steken in de buurt van voornoemde [slachtoffer 2] ;
3.
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten teweeg te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een veranda en/of een woning en/of de in de tuin en/of de in het pand aanwezige goederen en/of de aangrenzende/omliggende panden/percelen te duchten was en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (mede)bewoner(s) en/of aanwezige(n) in/nabij de woning en/of de omliggende panden/percelen te duchten was,
in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was,
- benzine, althans een brandbare stof, over [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gegoten en/of benzine, althans een brandbare stof, over een veranda heeft gegoten en/of
- een aansteker gepoogd heeft aan te steken en/of heeft aangestoken, althans heeft gepoogd open vuur in aanraking te brengen, in de buurt van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of de veranda en/of
- ( hierbij) voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] een of meerdere malen (dreigend) de woorden toe heeft gevoegd — zakelijk weergegeven — ‘ik steek jullie allebei in de brand’ en/of ‘ik steek de hele boel in de brand' en/of ‘ik steek de hele zooi in de brand’, althans (telkens) woorden van
gelijke (dreigende) aard en/of strekking,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan stichting [bedrijf] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
5.
hij op of omstreeks 11 augustus 2025 te Harderwijk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1,90 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine en/of ongeveer 161,47 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB, zijnde amfetamine en/of GHB (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 11 augustus 2025 was verdachte in de woning van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) aan [adres] in Harderwijk. [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ), [persoon 1] en [persoon 2] waren ook aanwezig. Er ontstond onenigheid tussen [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en verdachte over spullen die in de schuur van [slachtoffer 1] stonden. Verdachte is toen weggegaan. Verdachte was op 11 augustus 2025 om 06:55 uur bij de Shell aan de Oranjelaan 46 in Harderwijk. Verdachte tankte benzine in een fles en rekende dit samen met chocolade af. Twee minuten later rekende verdachte chocolade en een rode aansteker af. Rond 07:00 uur kwam verdachte terug bij de woning van [slachtoffer 1] . Hij gooide met benzine in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] kreeg benzine in haar gezicht en [slachtoffer 2] kreeg benzine in zijn gezicht en op zijn borst.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 meer subsidiair, feit 2 meer subsidiair, feit 4 en feit 5 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft verder gesteld dat verdachte van het onder feit 3 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feiten 1, 2 en 3 vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat delen van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden kort voor het incident GHB en crack gebruikt en hebben gedurende de nacht van het incident niet geslapen. Dit maakt dan hun vermogen om gebeurtenissen correct waar te nemen en op te slaan in hun geheugen op dat moment aanzienlijk minder was dan normaliter het geval zou zijn. Daarnaast heeft zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] niet direct over de aanwezigheid van een aansteker verklaard. Ook stond [slachtoffer 2] naast [slachtoffer 1] toen zij voor het eerst over de aanwezigheid van een aansteker verklaarde. Mogelijk is de verklaring van [slachtoffer 2] hierdoor beïnvloed. Daarnaast vertonen de verklaringen ook inconsistenties. Het dossier bevat contra-indicaties voor de aanwezigheid van een aansteker. Ook bevat het dossier contra-indicaties voor het opzet van verdachte. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte enkel benzine heeft gegooid en daarbij geen aansteker in zijn handen heeft gehad en/of dreigende woorden heeft geuit. Dit is op zichzelf onvoldoende voor een bewezenverklaring van bedreiging.
Met betrekking tot feiten 4 en 5 heeft de raadsman geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten 1 en 2
De rechtbank stelt op basis van de hierboven genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte op 11 augustus 2025 benzine in een fles heeft getankt en een rode aansteker heeft gekocht. Vervolgens is hij naar de woning van [slachtoffer 1] gegaan en heeft daar in de tuin de benzine over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gegooid.
De rechtbank ziet zichzelf allereerst voor de vraag gesteld of verdachte een aansteker in zijn hand had, vervolgens zal de rechtbank beoordelen of er sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor een bewezenverklaring van poging tot moord/doodslag, dan wel poging tot zware mishandeling, dan wel bedreiging.
[slachtoffer 1] verklaarde op 11 augustus 2025 dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) een witte fles onder zijn linkerarm hield toen hij terug bij de woning was. Verdachte pakte de fles over met zijn rechterhand en hij hield een aansteker in zijn hand. Het was een donkerkleurige aansteker met een rolletje. Nadat verdachte benzine in haar gezicht had gegooid zei hij “ik steek de hele boel in brand, ik steek jullie in brand” en “die spullen moeten terug”. Verdachte stond op een afstand van ongeveer 1,5 meter van [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] zag dat verdachte een beweging naar haar toe maakte met de aansteker in zijn hand. [slachtoffer 1] hoorde in de tussentijd dat de aansteker die verdachte vasthield meerdere keren vonkte. Op 14 augustus 2025 verklaarde [slachtoffer 1] dat verdachte de aansteker en de fles benzine beide in zijn linkerhand had. Zij verklaarde dat de aansteker een normale lengte had en dat het een roller was, geen klikker. Zij zag de aansteker nadat verdachte met benzine had gegooid. [slachtoffer 1] zag dat verdachte twee keer probeerde de aansteker te gebruiken. Misschien was het vaker, maar zij heeft twee keer gezien en gehoord. [slachtoffer 1] hoorde het wieltje van de aansteker en omschrijft dat als “gggk, gggk”. Toen verdachte de aansteker probeerde te gebruiken schreeuwde hij “ik steek jullie in de brand”. [slachtoffer 1] zag geen vlam of vonk bij de aansteker. [slachtoffer 1] werd op 30 maart 2026 door de rechter-commissaris verhoord. Zij verklaarde dat verdachte een aansteker had en die aan probeerde te doen. De aansteker was nat geworden. [slachtoffer 1] werd emotioneel toen zij hierover vertelde. Verdachte had een aansteker en een fles benzine in zijn handen. De benzine kwam van onder de linker oksel van verdachte. Verdachte zei “ik steek je in de brand, ik steek je huis in de fik”. [slachtoffer 1] hoorde dat verdachte een aansteker probeerde aan te maken. Zij weet niet meer of het een aansteker met een wieltje of met een klik was.
[slachtoffer 2] verklaarde op 11 augustus 2025 dat verdachte een fles in zijn linkerhand had en dat hij deze fles leegkneep in het gezicht van [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]). Verdachte schreeuwde hierbij “Ik steek jullie allebei in de brand”. Vervolgens kneep verdachte de fles leeg over [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] zag dat verdachte ook een aansteker in zijn handen had toen hij de fles leegkneep. Verdachte liep met de aansteker in zijn hand op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] af en schreeuwde: “Ik ga jullie in de brand steken”. [slachtoffer 2] zag dat verdachte de aansteker daadwerkelijk probeerde aan te doen en hoorde het geluid hiervan. [slachtoffer 2] kon niet zien of er ook daadwerkelijk een vlammetje brandde. Op 14 augustus 2025 verklaarde [slachtoffer 2] dat verdachte de aansteker vast had tussen de fles en de rechterhand. [slachtoffer 2] weet niet welke kleur de aansteker had. [slachtoffer 2] zag geen aansteekgebaar maar hoorde het. Het geluid dat hij hoorde was van een vuursteenwieltje. De aansteker deed het niet, [slachtoffer 2] zag geen vlam of vonk. Verdachte probeerde de aansteker te gebruiken terwijl hij de fles benzine nog in zijn hand had. Verdachte zei daarbij: “ik steek je in de brand”. [slachtoffer 2] zag niet wat verdachte vervolgens met de aansteker deed, omdat hij achter [slachtoffer 1] aan de woning in rende.
Verbalisanten kwamen op 11 augustus 2025 omstreeks 07:25 uur bij de woning van [slachtoffer 1] . Zij spraken op verschillende momenten met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Toen verbalisant [verbalisant 1] tegen hen zei dat zij zo snel mogelijk naar het politiebureau moesten komen voor het doen van aangifte, verklaarde [slachtoffer 1] onder andere dat verdachte haar had ondergegooid met benzine en dat hij hierna op haar in kwam lopen met een aansteker in zijn hand. Verdachte trachtte de aansteker aan te doen om haar in brand te steken terwijl hij op haar inliep.
Verbalisant [verbalisant 2] sprak op 19 augustus 2025 met de stiefmoeder en vader van [persoon 2] . Verbalisant hoorde dat zowel stiefmoeder als vader zei dat [persoon 2] en [persoon 1] in de woning aanwezig waren toen het voorval plaatsvond. Zij waren op dat moment boven. [persoon 2] heeft zelf bij hen aangegeven dat zij de aansteker, een rode aansteker, uit de handen van de man die [slachtoffer 1] had overgoten met een vloeistof (de rechtbank begrijpt: verdachte), heeft gepakt.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] angst wilde aanjagen. Eerder die nacht heeft hij gereedschap in de schuur van [slachtoffer 1] zien staan, dat van verdachte zou zijn. Hij wilde dat terug, maar voelde zich niet serieus genomen door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij wilde geen geweld gebruiken en heeft er toen voor gekozen hen angst aan te jagen. Nadat hij de benzine over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gegooid, is hij de schuur van [slachtoffer 1] in gelopen om zijn gereedschap terug te pakken.
Als verbalisanten ter plaatse komen bij de woning van [slachtoffer 1] , treffen zij daar verdachte aan met twee waterpassen en een zaagblad in zijn handen.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te twijfelen. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben op verschillende momenten verklaren afgelegd over de gebeurtenis op 11 augustus 2025. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] consistent over de gebeurtenissen hebben verklaard, zowel ten aanzien van de handelingen van verdachte als de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden. Verder hebben zij direct nadat het incident had plaatsgevonden met de politie gesproken. Daarnaast hebben zij allebei dezelfde dag aangifte gedaan en zijn zij drie dagen later nogmaals verhoord. [slachtoffer 1] heeft daarbij ook ruim een half jaar later een verklaring bij de rechter-commissaris afgelegd. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] over het gebruik van de aansteker authentiek, omdat beiden niet de indruk wekken het gebruik van de aansteker “aan te dikken”. Zo verklaren zij dat zij niet weten welke kleur de aansteker had en of er een vlam of een vonk zichtbaar was. Ook verklaart [slachtoffer 1] dat zij na een half jaar niet meer weet om wat voor soort aansteker het ging. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaarden direct na het gebeurde gedetailleerd over het horen van het wieltje van de aansteker. De rechtbank acht de verklaringen dan ook betrouwbaar en daarmee bruikbaar als bewijsmiddelen. Het verweer van de raadsman dat de verklaringen onbruikbaar zijn omdat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onder invloed waren, volgt de rechtbank niet. Niet ter discussie staat dat zowel aangevers als verdachte onder invloed waren van verdovende middelen. Dit maakt niet dat hun verklaren daarmee direct onbetrouwbaar zijn. Daarnaast volgt de rechtbank het verweer van de raadsman dat zij niet direct over de aanwezigheid van een aansteker hebben verklaard en dat de verklaring van [slachtoffer 2] mogelijk is beïnvloed door [slachtoffer 1] , ook niet. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [slachtoffer 1] voor het doen van aangifte en dus direct na het gebeurde over een aansteker heeft verklaard. Hoewel in de woning met zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] werd gesproken, staat in dit proces-verbaal niet dat [slachtoffer 2] naast [slachtoffer 1] stond toen zij over de aansteker verklaarde. Daarnaast heeft [slachtoffer 2] op een later moment een gedetailleerde beschrijving gegeven van zijn waarnemingen met betrekking tot de aansteker en is van beïnvloeding niet gebleken. [slachtoffer 2] verklaarde immers dat hij niet weet hoe de aansteker eruit zag, terwijl [slachtoffer 1] verklaarde over een donkerkleurige aansteker.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ondersteund worden door andere bewijsmiddelen. Zo heeft een verbalisant de stiefmoeder en vader van de in de woning aanwezige [persoon 2] horen zeggen dat zij van [persoon 2] hadden gehoord dat [persoon 2] die ochtend een rode aansteker uit de handen van verdachte heeft gepakt. Daarnaast heeft verdachte voordat hij terug naar de woning reed, naast de fles benzine ook een rode aansteker gekocht. De rechtbank acht dit concreet en ondersteunend. Ook zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] uit angst de woning in gerend. De rechtbank acht het aannemelijk dat wanneer zij enkel ondergegooid zouden zijn met benzine die angst minder aanwezig zou zijn. Het waarnemen van (pogingen tot) het gebruik van een aansteker past bij het naar binnen rennen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat verdachte nadat hij benzine over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gegooid, meerdere malen heeft getracht een aansteker aan te steken. Daarbij heeft verdachte de woorden geuit: “ik steek de hele boel in brand, ik steek jullie in de brand” en “ik steek jullie allebei in de brand”.
Deelvrijspraken
De tweede vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte met bovenstaande vastgestelde handelingen gepoogd heeft om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met voorbedachten rade van het leven te beroven of dat hij gepoogd heeft hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
Gelijk aan de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] . Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet ver van elkaar afstonden, maar de rechtbank kan niet vaststellen hoever zij precies van elkaar stonden toen verdachte probeerde de aansteker aan te steken, of waar de aansteker was ten opzichte van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op dat moment. Daarnaast is het onduidelijk welke hoeveelheden benzine op het lichaam van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] terecht kwamen. Ook konden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kennelijk nog wegkomen. De rechtbank kan dus niet vaststellen dat verdachte zo dicht in de buurt van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] was toen hij de aansteker trachtte aan te steken, dat daardoor een reëel risico ontstond dat aangevers vlam zouden vatten. Daarnaast stelt de rechtbank op basis van de verklaringen van verdachte vast dat hij met zijn handelen angst wilde aanjagen bij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De opzet was naar het oordeel van de rechtbank gericht op het aanjagen van angst. Niet vastgesteld kan worden dat de opzet gericht was – ook niet in voorwaardelijke zin – op het daadwerkelijk om het leven brengen van aangevers of het hen toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder de feiten 1, primair en subsidiair en 2, primair en subsidiair, tenlastegelegde.
Bedreiging (feiten 1 meer subsidiair en 2 meer subsidiair)
De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte benzine in het gezicht van [slachtoffer 1] en in het gezicht en op de borst van [slachtoffer 2] heeft gegooid, dat hij daarbij de woorden heeft geuit “ik steek de hele boel in brand, ik steek jullie in de brand” en “ik steek jullie allebei in de brand” en dat hij daarbij meerdere malen een aansteker heeft getracht aan te steken. De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt dat verdachte samen met een of meer anderen heeft gehandeld.
Feit 3 (vrijspraak)
Gelijk aan de standpunten van de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot brandstichting. Uit het dossier blijkt dat er benzine op de veranda heeft gelegen, maar niet dat verdachte ook handelingen heeft verricht met een aansteker bij de benzine op de veranda. Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] waren al in de woning en uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte de opzet heeft gehad om de veranda en/of (vervolgens) de woning in brand te steken. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 3 tenlastegelegde.
Feit 4
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens [bedrijf] , p. 50;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juli 2026.
Feit 5
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen, p. 226-231;
- een schriftelijk bescheid, te weten: rapport NFiDENT van 3 september 2025, p. 233;
- een schriftelijk bescheid, te weten: rapport NFiDENT van 3 september 2025, p. 234;
- een schriftelijk bescheid, te weten: rapport NFiDENT van 3 september 2025, p. 235;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 juli 2026.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 11 augustus 2025 in Harderwijk:
[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met enige misdrijf tegen het leven en met zware mishandeling heeft bedreigd;
een ruit geheel toebehorende aan [bedrijf] heeft vernield;
opzettelijk 1,90 gram bevattende amfetamine en 161,47 gram bevattende GHB aanwezig heeft gehad.