1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 29 oktober 2024 te Wageningen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelauto), komende uit de richting van de industrieweg te Wageningen gaande in de richting van de kruising De Nude met de Costerweg en Havenafweg, daarmede rijdende over de weg, De Nude,
zeer dan wel aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of
terwijl haar zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl de voorruit en/of zijruiten van de door verdachte bestuurde bedrijfsauto/bestelauto beslagen/bewasemd was/waren en/of
terwijl het zicht door die (voor en/of zij)ruit(en) in ernstige mate, althans in enige mate, werd belemmerd en/of
terwijl verdachte ter plaatse bekend was en/of
terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg (de Nude) een bord B6 en/of haaientanden als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of
niet of onvoldoende heeft opgelet op het (tegemoetkomende) verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of bij het afslaan naar links, teneinde de Costerweg op te rijden, zich niet of onvoldoende ervan vergewist dat (tegemoetkomend) verkeer aanwezig was,
- in strijd met voormeld bord B6 en/of de haaientanden geen voorrang heeft verleend aan een langs die kruisende (voorrangs)weg (de Nude) gesitueerd fiets/bromfiets pad rijdende, toen gezien, haar, verdachtes, rijrichting dicht van links genaderd zijnde bestuurster van een fiets en/of in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een haar op dezelfde weg dan wel rijbaan, toen gezien, haar verdachtes, rijrichting van links genaderd zijnde fietser niet heeft laten voorgaan en/of
- bij het afslaan naar links, het fietspad gelegen aan de Costerweg, waarop fietsers voorrang hadden, is overgestoken met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of (daarmee) in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 oktober 2024 te Wageningen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurster van een motorrijtuig (bedrijfsauto/bestelauto), komende uit de richting van de industrieweg te Wageningen gaande in de richting van de kruising De Nude met de Costerweg en Havenafweg, daarmede rijdende over de weg, De Nude,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of
terwijl haar zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
terwijl verdachte het voertuig beroepsmatig bestuurde en/of
terwijl de voorruit en/of zijruiten van de door verdachte bestuurde bedrijfsauto/bestelauto beslagen/bewasemd was/waren en/of
terwijl het zicht door die (voor en/of zij)ruit(en) in ernstige mate, althans in enige mate, werd belemmerd en/of
terwijl verdachte ter plaatse bekend was en/of
terwijl direct voor die kruising op het wegdek van die weg (de Nude) een bord B6 en/of haaientanden als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of
niet of onvoldoende heeft opgelet op het (tegemoetkomende) verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of bij het afslaan naar links, teneinde de Costerweg op te rijden, zich niet of
onvoldoende ervan vergewist dat (tegemoetkomend) verkeer aanwezig was,
- in strijd met voormeld bord B6 en/of de haaientanden geen voorrang heeft verleend aan een langs die kruisende (voorrangs)weg (de Nude) gesitueerd fiets/bromfiets pad rijdende, toen gezien, haar, verdachtes, rijrichting dicht van links genaderd zijnde bestuurster van een fiets en/of in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een haar op dezelfde weg dan wel rijbaan, toen gezien, haar verdachtes, rijrichting van links genaderd zijnde fietser niet heeft laten voorgaan en/of
- bij het afslaan naar links, het fietspad gelegen aan de Costerweg, waarop fietsers voorrang hadden, is overgestoken met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, en/of (daarmee) in strijd met artikel 19 van voornoemd regelement haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was,
is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurster van die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen, en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 29 oktober 2024 te Wageningen als bestuurster van een bedrijfsauto/bestelaauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Costerweg, ter plaatse waar voor een kruisende weg, te weten de voor het openbaar verkeer openstaande weg, De Nude, op het wegdek haaientanden waren aangebracht, de bestuurster van een fiets geen voorrang heeft gegeven, waarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op dinsdag 29 oktober 2024 omstreeks 10:05 uur vond een ernstig ongeval plaats in Wageningen. Verdachte, een beginnend bestuurster en werkzaam als pakketbezorgster, reed met een bestelbus over de Nude, komend vanuit de richting van de Industrieweg, in de richting van het kruispunt met de Costerweg en de Havenafweg. Op het kruispunt sloeg zij linksaf, waarbij zij geen voorrang verleende aan de voor haar van links komende fietsster, mevrouw [slachtoffer] , die op de voorrangsweg reed. De (linker) voorzijde van de bestelbus raakte de rechterzijde van de fiets, waardoor mevrouw [slachtoffer] ten val is gekomen en ernstig gewond is geraakt. Na het ongeval is zij overgebracht naar het ziekenhuis, waar zij op dinsdag 12 november 2024 aan haar verwondingen overleed.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde (artikel 6 van de Wegenverkeerswet). De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte is overgestoken met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Van dit onderdeel dient verdachte te worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde, omdat geen sprake is geweest van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW). Het enkele niet verlenen van voorrang, zoals opgenomen onder het eerste gedachtestreepje, is immers onvoldoende om een aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid aan te nemen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte is overgestoken met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, zoals opgenomen onder het tweede gedachtestreepje. Zelfs als de rechtbank aanneemt dat verdachte haar snelheid bij het naderen van de kruising onvoldoende heeft aangepast, levert dat niet zonder meer een aanmerkelijke onvoorzichtigheid op, aldus de verdediging. Een enkel moment van (tijdelijke) onoplettendheid of een enkele verkeersfout zonder bijzondere bijkomende omstandigheden is daarvoor onvoldoende.
Beoordeling door de rechtbank
De politie heeft forensisch onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Ter plaatse zagen zij dat de Costerweg door middel van borden is aangeduid als voorrangsweg. Voor bestuurders die de Costerweg over de Nude naderen, wordt dit door middel van borden conform model B6 van bijlage 1 van het RVV 1990 en haaientanden op het wegdek als bedoeld in artikel 80 van het RVV 1990 kenbaar gemaakt. Bij het onderzoek zijn geen gebreken in de weginrichting en/of het onderhoud van de weg waargenomen die mogelijk van invloed zijn geweest op het ontstaan van het ongeval. Het zicht van beide bestuurders werd niet belemmerd door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg. Daarmee is de hypothese dat het verkeersongeval is ontstaan door de factor omgeving uitgesloten. Zowel bij de bestelbus als bij de fiets zijn ook geen voertuig-technische gebreken vastgesteld die mogelijk op de oorzaak van het ongeval van invloed zijn geweest. Uit het voorgaande volgt dat het verkeersongeval is ontstaan door de factor menselijke gedraging van de bestuurder van de bedrijfsauto. De snelheid van de bedrijfsauto op het moment van de aanrijding (de botssnelheid) kon niet nauwkeuriger worden vastgesteld, dan dat deze op basis van de aangetroffen sporen lager was dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 km/u. Er was sprake van regenachtig weer.
Verbalisant [verbalisant 1] van de noodhulpdienst van de politie heeft kort na het ongeval ter plaatse met verdachte gesproken. Hij hoorde verdachte zeggen dat zij net was vertrokken vanaf het depot van haar werk waar de pakketjes liggen en dat de ramen van haar busje nog deels beslagen waren en vol regendruppels zaten. Verdachte had de vrouw op de fiets naar eigen zeggen helemaal niet gezien. Verbalisant [verbalisant 2] sprak later op dezelfde dag op het politiebureau met verdachte en hoorde haar zeggen dat ze de zijramen van het voertuig niet had schoongemaakt en dat ze daardoor minder zicht had.
Verdachte heeft in haar verhoor bij de politie als volgt verklaard. Ze werkte vijf maanden als pakketbezorger en reed elke dag in het busje. Die dag had ze haar busje volgeladen en was ze net één minuut onderweg toen ze het kruispunt van de Nude met de Costerweg naderde. Het was niet de eerste keer dat ze daar reed en ze had het bij de eerste keer al een vervelend en onoverzichtelijk kruispunt gevonden. Bij de kruising aangekomen heeft ze meermaals naar links en naar rechts gekeken voordat ze overstak. Ze kon het niet goed zien. Allebei haar zijramen waren nat door de regen. Dat had ze al opgemerkt toen ze wegreed, maar ze dacht: ‘in dat kleine stukje gaat er echt niks gebeuren, het droogt altijd wel op’ en ‘eenmaal onderweg gaat dat weg’.
Ook ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat haar zijramen bespikkeld waren met regendruppels en dat zij niemand had gezien voordat zij het kruispunt overstak.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW, zoals primair ten laste is gelegd. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid dan wel onoplettendheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WWV.
Vast staat het ongeval heeft plaatsgevonden omdat verdachte geen voorrang heeft verleend aan mevrouw [slachtoffer] . Verdachte heeft verklaard dat zij mevrouw [slachtoffer] niet heeft gezien toen zij voor het oversteken naar links en naar rechts keek. Uit het forensisch onderzoek volgt dat het zicht van verdachte niet werd belemmerd door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg of door andere omgevingsfactoren. Kort na het ongeval heeft verdachte bij de politie verklaard dat de zijramen van de bedrijfsauto nat waren door de regen, waardoor zij niet goed kon zien. De verklaringen die zij later heeft afgelegd hebben dezelfde strekking. Of haar ramen ook beslagen waren, hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft ontkend, kan niet worden vastgesteld en kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. Naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van het voorgaande voldoende vast dat verdachte door de beregende ramen onvoldoende zicht heeft gehad op het kruispunt, als gevolg waarvan zij geen voorrang heeft verleend aan de fietster op de voorrangsweg.
Het aan het verkeer deelnemen met onvoldoende zicht is, gelet op de daarmee gepaard gaande risico’s, reeds op zichzelf onvoorzichtig. De rechtbank overweegt dat verdachte zich ook bewust was van deze risico’s. Dit leidt de rechtbank af uit de uitspraken die verdachte kort na het ongeval heeft gedaan, waarbij zij verklaarde dat haar ramen al beregend waren op het moment dat zij wegreed en dat zij dacht dat er in dat kleine stukje niets zou gebeuren. De omstandigheid dat verdachte niet plotseling geconfronteerd werd met de beregende ramen, maakt dat zij in de gelegenheid was de nodige voorzorgmaatregelen te treffen. Zij heeft een verkeerde inschatting gemaakt door haar ramen niet schoon te maken of andere maatregelen te nemen om met het best mogelijke zicht de weg op te gaan.
De vraag is vervolgens of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten aan wat er van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. In het geval van verdachte worden er hogere eisen gesteld aan deze verwachting, omdat zij werkzaam was als pakketbezorger en het voertuig beroepsmatig bestuurde. Ook was zij bekend met de verkeerssituatie ter plaatse en had zij het kruispunt eerder als vervelend en onoverzichtelijk ervaren. Desondanks heeft zij het risico genomen om met onvoldoende zicht het kruispunt over te steken, waarmee zij zich er niet voldoende van heeft vergewist dat er ander verkeer aanwezig was. Onder deze omstandigheden mocht van verdachte worden verwacht dat zij anders zou handelen.
Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld en dat het daarom aan haar schuld te wijten is dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Gelet op de bevindingen van het forensisch onderzoek acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte is overgestoken met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij in staat was om haar voertuig tot stilstand te brengen. Van dit onderdeel zal verdachte worden vrijgesproken.