ECLI:NL:RBGEL:2026:5870
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 26 juni 2026
- Zaaknummer
- 05/337700-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
Vrijspraak art. 6 WVW. Verdachte is in slaap gevallen en is daardoor tegen de voor hem rijdende personenauto gebotst. Deze enkele verkeersfout is echter niet zodanig ernstig van aard dat daaruit geconcludeerd kan worden dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Veroordeling voor art. 5 WVW. Oplegging taakstraf en voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Echteld, in de gemeente Neder-Betuwe, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),
komende uit de richting van Nijmegen en gaande in de richting van Zaltbommel, daarmede rijdende op de A15, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of
terwijl hij vermoeid was en/of in slaap was gevallen en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of
zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
(daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft gehouden en/of
-heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement de snelheid van de door hem bestuurde motorrijtuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met een hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan die voor veilig verkeer ter plaatse geboden was, in aanrijding gekomen met een op voor hem rijdend, toen dicht genaderd zijnde ander motorrijtuig (personenauto),
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Echteld, in de gemeente Neder-Betuwe, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),
komende uit de richting van Nijmegen en gaande in de richting van Zaltbommel, daarmede rijdende op de A15,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of
terwijl hij vermoeid was en/of in slaap gevallen en/of
terwijl zijn zicht ter plaatse niet belemmerd, beperkt of gehinderd werd en/of zijn aandacht gedurende enige tijd niet, althans in onvoldoende mate, op het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of
(daarbij) niet (voortdurend) de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft gehouden en/of
-heeft gereden met een hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid, in elk geval met een hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement de snelheid van de door hem bestuurde motorrijtuig niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was de motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met een hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan die voor veilig verkeer ter plaatse geboden was, in aanrijding gekomen met een op voor hem rijdend, toen dicht genaderd zijnde ander motorrijtuig (personenauto), en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 september 2025 te Echteld, gemeente Neder-Betuwe als bestuurder van een voertuig (personenauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Autosnelweg A15, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij met een hoge snelheid, althans met een hogere snelheid dan die voor veilig verkeer ter plaatse geboden was, in aanrijding gekomen met een op voor hem rijdend, toen dicht genaderd zijnde ander motorrijtuig (personenauto).
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Feiten en omstandigheden
Uit de bewijsmiddelen in het dossier volgt dat op 21 september 2025 in Echteld, gemeente Neder-Betuwe, een verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de A15. Verdachte reed in een personenauto in de richting van Zaltbommel en kwam uit de richting van Nijmegen. [slachtoffer] reed in zijn auto op diezelfde weg en reed voor de auto van verdachte. De auto van verdachte is tegen de auto van [slachtoffer] aangereden. De auto van [slachtoffer] is als gevolg daarvan (mogelijke meerdere keren) over de kop geslagen.
Verdachte heeft sinds 5 april 2023 een rijbewijs en is dus beginnend bestuurder.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. Verdachte heeft aanmerkelijk onvoorzichtig gereden waardoor [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Verdachte heeft een kort moment van afwezigheid gehad en als gevolg daarvan is de botsing ontstaan. Deze gedraging overschrijdt niet de ondergrens van de aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). De raadsman heeft daarnaast vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde bepleit. Het verwijtbare handelen van verdachte is voorzien in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV). Er is sprake van een lex specialis en de bepaling in de RVV dient voorrang te krijgen op artikel 5 WVW. De raadsman heeft zich ten aanzien van het meer subsidiair tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
Is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW?
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW.
Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW, moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid en/of onachtzaamheid. Daarbij moet worden gekeken naar het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet alleen uit de ernst van de gevolgen kan worden afgeleid dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Een enkel moment van onoplettendheid is over het algemeen niet voldoende voor het aannemen van aanmerkelijke schuld. Uit de rechtspraak kan evenwel niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 WVW in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt (vgl Hoge Raad 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024: 1398).
De rechtbank stelt allereerst vast dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid heeft overschreden. Hoewel [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte 140 km/u tot 160 km/u moet hebben gereden, zijn er geen objectieve aanwijzingen waaruit blijkt dat verdachte te hard heeft gereden. Er is naar de toedracht van de aanrijding – en in het bijzonder de gereden snelheid – geen nader onderzoek gedaan. Snelheden zijn lastig in te schatten, waardoor de rechtbank op basis van één verklaring niet kan vaststellen dat verdachte de maximumsnelheid van 100 km/u heeft overschreden.
De verdachte heeft verklaard bij zijn verhoor op 21 november 2025 dat hij in ieder geval tussen de 90 en 100 km per uur reed. Dit is ook aannemelijk nu hij op de snelweg reed. De rechtbank stelt daarom wel vast dat hij met een hoge snelheid tegen zijn voorligger is aangereden.
Kort na het plaatsvinden van het ongeval heeft verdachte tegen een verbalisant verklaard dat hij in slaap was gevallen achter het stuur en dat hij daardoor een ongeval had veroorzaakt.
Bij zijn verhoor op 21 november 2025 verklaarde verdachte dat hij naar huis reed, dat hij zijn raam open deed voor frisse lucht en dat toen zijn ogen dicht gingen. […] Verdachte denkt zelf dat hij in slaap is gevallen voor een paar seconden. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft verdachte niet onomwonden herhaald dat hij in de auto in slaap is gevallen. In plaats daarvan heeft verdachte de woorden ‘buiten bewustzijn geraakt’ en ‘blackout’ gebruikt. Dat laatste woord heeft hij ook tijdens zijn verhoor bij de politie gebruikt (“het leek op een blackout”). De rechtbank houdt verdachte echter aan de verklaring gegeven bij de politie direct na de aanrijding en bij zijn verhoor, dat hij (kort) in slaap was gevallen. Andere oorzaken voor het ongeval zijn niet aannemelijk geworden.
De rechtbank stelt dus vast dat verdachte het raam van zijn auto heeft open gedaan en dat hij vervolgens in slaap is gevallen, waardoor hij de voor hem rijdende auto dicht is genaderd en niet in staat is geweest op tijd te remmen. Hij is daardoor tegen de voor hem rijdende personenauto gebotst. Deze enkele verkeersfout is echter niet zodanig ernstig van aard dat daaruit geconcludeerd kan worden dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW. Dit zou anders zijn geweest als het in slaap vallen voor verdachte voorzienbaar zou zijn geweest. Dit is echter niet gebleken. Verdachte heeft immers verklaard dat hij zich fit voelde toen hij in de auto stapte en zich ook fit voelde gedurende de rit. Ook betrof dit de eerste keer dat verdachte in slaap viel in een auto. Hij deed zijn raam open en toen viel hij in slaap. Gelet op bovengenoemde omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een kort moment van mentale afwezigheid bij verdachte. Dit enkele moment van afwezigheid is onvoldoende voor de conclusie dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend in de zin van artikel 6 WVW heeft gereden. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.
Is er sprake van het veroorzaken van hinder en/of gevaar op de weg in de zin van artikel 5 WVW?
Vervolgens zal de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een overtreding van artikel 5 WVW. Daarbij dient te worden vastgesteld of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg werd gehinderd of kon worden gehinderd.
De rechtbank concludeert dat verdachte een kort moment, rijdend over een snelweg, in zijn auto in slaap is gevallen. Hierdoor is verdachte in strijd met artikel 19 RVV niet meer in staat geweest om tijdig de weg te overzien en te stoppen. Hij is daardoor tegen de voor hem rijdende auto gebotst. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door deel te nemen aan het verkeer en daarbij in slaap te vallen, gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Dit gevaar heeft zich ook verwezenlijkt in een verkeersongeval. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat een specialiteitsverhouding tussen artikel 19 RVV en artikel 5 WVW moet leiden tot vrijspraak van het subsidiair ten laste gelegde. Wat er ook zij van de gevolgtrekking die de raadsman aan de gestelde verhouding verbindt, is de rechtbank van oordeel dat de door de verdediging bedoelde specialis (art. 19 RVV) niet alle bestanddelen bevat van de generalis (art. 5 WVW), terwijl er in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten zijn te vinden voor de opvatting dat de beoogde specialis niettemin moet worden beschouwd als een bijzondere strafbepaling.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.