ECLI:NL:RBGEL:2026:5800
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 3 april 2026
- Zaaknummer
- 05-306748-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het tweemaal bedreigen en mishandelen van zijn echtgenoot tot een taakstraf van 100 uur en een gevangenisstraf van 60 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 40 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden. Daarnaast oplegging van de 38v-maatregel.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 13 november 2025 te [woonplaats] , gemeente Oost Gelre [aangever] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- met zijn hand(en) in de richting van die [aangever] een snijdende beweging langs zijn keel/hals te maken en/of (daarbij)
- een luchtbuks op die [aangever] te richten, althans een luchtbuks aan die [aangever] te tonen en/of
- ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] met zijn hand(en) en/of vinger(s) een snijdende beweging langs zijn keel/hals te maken en/of (daarbij vervolgens) naar de kinderen te wijzen en/of (vervolgens)
- ten overstaan van verbalisant [verbalisant 3] dreigend de woorden toe te voegen "jullie moeten weg, anders vermoord ik mijn kinderen", althans woorden van gelijke aard of strekking;
2.
hij op of omstreeks 22 april 2025 te [woonplaats] , gemeente Oost Gelre [aangever] , heeft mishandeld, door die [aangever] , één of meerdere malen op/tegen het gezicht en/of de (boven)benen, althans het lichaam te slaan en/of één of meerdere malen tegen de heup, althans het lichaam te trappen, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn echtgenote;
3.
hij op of omstreeks 22 april 2025 te [woonplaats] , gemeente Oost Gelre [aangever] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen "ik maak je helemaal af, ik maak je echt af”, en/of "wat denk je wel niet, ik maak je afjonguh en je leeft vanavond niet meer als je zo doorgaat”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte vrij moet worden gesproken van feit 1, nu hij dit feit stellig ontkent.
Ten aanzien van feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarbij heeft de raadsvrouw de kanttekening gemaakt dat voor het onder feit 2 tenlastegelegde schoppen partieel vrijspraak dient te volgen, nu hiervoor slechts één bewijsmiddel is, te weten de verklaring van aangeefster.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
De bewijsmiddelen
[aangever] heeft verklaard dat zij een relatie heeft met verdachte. Ze omschrijft dat verdachte boos en agressief wordt als hij het gevoel heeft dat hem onrecht wordt aangedaan. Veilig Thuis is betrokken bij het gezin om de veiligheid van [aangever] en hun kinderen te waarborgen. Op 6 november 2025 heeft zij tegen verdachte gezegd dat ze niet verder met hem wil. Op 13 november 2025 was ze in het washok van haar woning in [woonplaats] . Verdachte zei tegen haar: ‘Je hebt het voor elkaar dat ik de kinderen kwijt raak. Ik heb ervoor gezorgd dat jij je ook kwijt raakt!’. [aangever] heeft aangegeven dat zij normaal wilde praten en belde ondertussen de politie. De telefoon hield zij in haar broekzak, maar het scherm lichtte op en verdachte zag dat zij aan het bellen was. Hij vroeg wie zij belde en zij antwoordde dat zij de politie belde. Verdachte maakte zich groot en kwam dreigend op haar af. Verdachte liep naar de achterdeur en pakte de luchtbuks die daar stond. Verdachte maakte met zijn hand een snijgebaar langs zijn keel in haar richting. Hij zette de luchtbuks tegen zijn schouder en richtte naar de kant van [aangever] . Toen de politie kwam, zei een agent dat verdachte op de kamer van de kinderen zat en de deur dicht hield. [aangever] stond op dat moment doodsangsten uit voor de veiligheid van de kinderen.
Verder heeft [aangever] verklaard dat zij later van verbalisanten had gehoord dat verdachte een snijbeweging had gemaakt rond de nek richting de kinderen. Dit heeft zij gehoord van de verbalisanten en las ze terug in het contactverbod. Ze maakt zich zorgen om het welzijn van haar kinderen.
Toen de politie ter plaatse kwam, hoorde verbalisant [verbalisant 2] dat [aangever] tegen hem zei dat verdachte zojuist een luchtbuks op haar had gericht. Daarna probeerde de verbalisant de deur van de kinderkamer te openen, maar die werd van binnenuit tegen gehouden. Hij besloot vanaf de buitenzijde via het raam zicht te krijgen op de kinderkamer, waar de kinderen sliepen. Hij maakte zich ernstig zorgen om wat hij aan zou treffen en hij was bang dat de kinderen mogelijk iets aangedaan was of aangedaan zou worden. Hij verkreeg – samen met verbalisant [verbalisant 1] – zicht in de kinderkamer en zag bij de deur een man staan die stevig tegen de binnenzijde van de deur drukte. Toen de man de verbalisanten opmerkte, keek hij in de richting van verbalisant [verbalisant 2] , maakte een snijbeweging langs zijn keel en wees naar de slapende kinderen. De man maakte met zijn gestrekte rechterhand haaks op zijn hals een snijdende beweging en wees daarna de kinderen aan. Hierop besloten de verbalisanten zich terug te trekken om te voorkomen dat de man de kinderen iets aan doen. Verbalisant [verbalisant 2] was erg bevreesd dat er sprake zou kunnen zijn van dodelijk geweld, gezien de situatie en de gebaren die de man maakte. Toen verdachte werd geboeid, is verbalisant [verbalisant 2] zo snel mogelijk de kinderkamer in gegaan om het welzijn van de kinderen te controleren. Verbalisant [verbalisant 1] riep [aangever] naar binnen, die moest huilen van emotie. Ze was zichtbaar geschokt en ontdaan door de situatie. [aangever] zei dat ze zeer bang was geweest dat de kinderen iets zou worden aangedaan toen zij hoorde dat verdachte zich in de kamer had verschanst.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft gezien dat verdachte op 1,5 meter afstand van de twee kinderbedjes stond. Hij bewoog met zijn hand/vingers langs zijn keel en wees vervolgens naar de kinderbedjes. Uit deze beweging maakte de verbalisant op dat hij de kinderen om het leven wilde brengen.
Verbalisant [verbalisant 3] hoorde dat [aangever] tegen hem zei dat zij bang was voor verdachte. Volgens [aangever] had hij eerder die dag suïcidale uitspraken gedaan. Verdachte had onder andere tegen haar gezegd: ‘Als ik de kinderen niet mag, zorg ik ervoor dat jij ze ook niet krijgt’. [aangever] zei tegen de verbalisant dat verdachte had gedreigd om hun kinderen wat aan te doen, waarmee hij volgens [aangever] bedoelde dat hij zijn kinderen van het leven zou beroven. De verbalisant zag en hoorde dat [aangever] hard en snel ademde. Vervolgens ging verbalisant [verbalisant 3] naar de opkamer, die toegang geeft tot de slaapkamer van de kinderen, maar hij kreeg de deur niet open. Direct daarna hoorde hij een mannenstem die vanachter de deur zei: ‘Jullie moeten weg, anders vermoord ik mijn kinderen’. Op dat moment dacht de verbalisant aan de uitspraken die verdachte eerder die dag had gedaan en het feit dat hij een wapen op [aangever] had gericht. Daarom stelde hij zichzelf de hypothese dat verdachte in staat was om levensbedreigend geweld tegen zijn kinderen te gebruiken en mogelijk een vuurwapen voorhanden had.
Verbalisant [verbalisant 4] betrad de woning op zoek naar verdachte. Toen een collega probeerde de deur van de kamer te openen waar de kinderen sliepen, lukte dit niet. Vanuit de kamer hoorde verbalisant een mannenstem die zei: “jullie moeten nu weg, anders vermoord ik de kinderen.”
[getuige] , de moeder van verdachte, heeft verklaard dat verdachte tegen haar zei: ‘Ik heb het geweer op haar gericht’. Hierop reageerde [getuige] met ‘Ben je niet goed, doe eens normaal’.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft verklaard dat hij de luchtbuks niet aan aangeefster [aangever] heeft getoond en dat hij die ook niet op haar heeft gericht. In het proces-verbaal van het getuigenverhoor van de moeder van verdachte is foutief geverbaliseerd dat verdachte dit tegen haar zou hebben gezegd.
De rechtbank overweegt dat hetgeen de verdediging hierover heeft aangevoerd niet aannemelijk is geworden, gelet op de reactie van zijn moeder nadat verdachte haar vertelde dat hij het geweer op [aangever] had gericht. Dat zijn moeder in een later e-mailbericht terug is gekomen op haar initiële verklaring bij de politie, maakt dat niet anders. In dat e-mailbericht verklaart zij dat verdachte haar mededeelde dat hij dacht dat [aangever] tegen de politie zou hebben verklaard dat hij een windbuks op haar gericht zou hebben. Haar reactie dat verdachte niet goed was en normaal moest doen, past echter niet bij een dergelijke gang van zaken. De rechtbank gaat daarom uit van de verklaring die zij bij de politie heeft afgelegd.
Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de snijdende beweging die verdachte in de kinderkamer maakte, moet worden opgevat als vermaning aan de verbalisanten om stil te zijn vanwege de slapende kinderen en dat dit gebaar werd vergezeld door de uitspraak ‘ik kom d’r an’. Dit is volgens de verdediging vanwege het Achterhoekse dialect mogelijk verstaan door de verbalisant als ‘ze gaan er aan’.
Dit verweer wordt reeds verworpen door de bewijsmiddelen, aangezien verbalisanten specifiek beschrijven dat zij verdachte een (snijdend) gebaar langs de keel zien maken en geen ‘wegwuifgebaar’ om te voorkomen dat de kinderen wakker zouden worden gemaakt. Verder acht de rechtbank een spraakverwarring door verdachtes Achterhoekse dialect niet aannemelijk, gelet op de zeer specifieke bewoordingen die verdachte volgens twee verbalisanten heeft gebruikt. De rechtbank gaat dan ook uit van de ambtsedige processen-verbaal van de verbalisanten. Daarmee verwerpt de rechtbank het door de verdediging geschetste alternatieve scenario.
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte met zijn hand een snijdende beweging langs zijn keel/hals heeft gemaakt richting [aangever] en een luchtbuks op haar heeft gericht, althans aan haar heeft getoond. Daarna heeft verdachte ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] met zijn hand een snijdende beweging langs zijn keel/hals gemaakt, waarbij hij vervolgens naar de kinderen wees. Tot slot heeft hij ten overstaan van verbalisant [verbalisant 3] gezegd: ‘Jullie moeten weg, anders vermoord ik mijn kinderen’.
De rechtbank is van oordeel dat het maken van een snijdende beweging langs de keel richting [aangever] en het op haar richten met een luchtbuks, althans die aan haar tonen, naar hun aard in de gegeven omstandigheden een bedreiging van die [aangever] met enig misdrijf tegen het leven gericht opleveren.
De rechtbank stelt vast dat de betreffende uitlatingen en gedragingen door verdachte zijn gedaan tegen verbalisanten en niet rechtstreeks tegenover [aangever] . Zij is daarvan vervolgens door politie op de hoogte gebracht. Zo is voldaan aan het vereiste dat de bedreiging haar heeft bereikt
De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte, gelet op de inhoud van die gedragingen en uitlatingen, de indringende wijze waarop verdachte die heeft geuit en het feit dat hij deze tegenover meerdere verbalisanten heeft gedaan, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat deze bedreigingen aan [aangever] zouden worden doorgegeven.
Naar hun aard en in de omstandigheden waaronder zij zijn gedaan, waren deze uitlatingen en gedragingen bovendien van dien aard dat bij [aangever] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat verdachte zijn dreigementen daadwerkelijk zou uitvoeren. In het bijzonder neemt de rechtbank daarbij in aanmerking de heftige relatieproblematiek tussen verdachte en Vedel, de gespannen thuissituatie en de omstandigheid dat de bedreigingen betrekking hadden op hun gemeenschappelijke kinderen.
Dat de bedreigingen zagen op de kinderen en niet rechtstreeks op [aangever] , staat aan toepassing van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht niet in de weg. Bedreigingen met een tegen een derde gericht (levens)delict kunnen tevens bedreiging van een ander opleveren. Bij ouders geldt dat in het bijzonder als het om bedreiging van hun kinderen gaat, vanwege de zeer nauwe band die ouders met hun kinderen hebben. Juist die nauwe band maakt dat dergelijke bedreigingen ook de persoonlijke vrijheid van de ouder in ernstige mate kunnen aantasten en bij die ouder daadwerkelijke vrees kunnen opwekken.
Daarmee staat vast dat de uitlatingen van verdachte betreffende hun kinderen kan worden aangemerkt als een bedreiging van aangeefster zelf, die naar het oordeel van de rechtbank onder de reikwijdte van dit artikel valt.
De rechtbank acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 76-78;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 85;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2026.
Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkend dat hij aangeefster heeft geschopt.
Nu verdachte in ieder geval heeft bekend dat hij fysiek geweld heeft gebruikt jegens aangeefster, gaat de rechtbank uit van de verklaring van aangeefster. Nu zij heeft verklaard dat verdachte haar niet alleen heeft geslagen, maar ook heeft geschopt – en niet voor elk onderdeel van de tenlastelegging twee bewijsmiddelen nodig zijn – komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het gehele feit zoals dat ten laste is gelegd.
Feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van verhoor slachtoffer [aangever] , p. 1 (aanvullend);
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 85;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2026.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.