ECLI:NL:RBGEL:2026:5795
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 5 juni 2026
- Zaaknummer
- 0529216225
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
De rechtbank veroordeelt verdachte wegens overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij sprake is van roekeloosheid en een ongeval waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht. Verdachte krijgt een taakstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 3 jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Arnhem in de gemeente Arnhem, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Westervoortsedijk, daarmede rijdende over de weg, de Driepoortenweg,
roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte, terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of
terwijl hij in strijd met artikel 59 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens geen autogordel heeft gedragen en/of
terwijl op die weg (de kruising Driepoortenweg met de Beijerinckweg) een motorrijtuig (bedrijfauto met aanhanger) stilstond dan wel langzaam reed om links af te slaan de Beijerinckweg in en/of
niet of in onvoldoende mate te kijken en/of te blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (de kruising Driepoortenweg met de Beijerickweg)
- aldaar te rijden met een indicatieve gemiddelde snelheid van 103 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de aldaar maximum toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 11, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de bestuurder van een personenauto (bedrijfsauto met aanhanger), -welke bestuurder links had voorgesorteerd en/of te kennen had gegeven dat hij naar links wilde afslaan richting de Beijerinckweg-, links in plaats van rechts is gaan inhalen en/of heeft ingehaald en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet zodanig te regelen dat hij in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of
te botsen tegen, althans in aanrijding te komen met de voornoemde personenauto (bedrijfsauto met aanhanger),
en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 januari 2025 te Arnhem in de gemeente Arnhem, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting van de Westervoortsedijk, daarmede rijdende over de weg, de Driepoortenweg,
terwijl verdachte een beginnend bestuurder was en/of
terwijl hij in strijd met artikel 59 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens geen autogordel heeft gedragen en/of
terwijl op die weg (de kruising Driepoortenweg met de Beijerinckweg) een motorrijtuig (bedrijfauto met aanhanger) stilstond dan wel langzaam reed om links af te slaan de Beijerinckweg in en/of
niet of in onvoldoende mate te kijken en/of te blijven kijken naar het direct voor hem gelegen weggedeelte van die weg (de kruising Driepoortenweg met de Beijerinckweg)
- aldaar te rijden met een indicatieve gemiddelde snelheid van 103 kilometer per uur, in elk geval met een grotere snelheid dan de aldaar maximum toegestane snelheid van 50 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 11, tweede lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 de bestuurder van een personenauto (bedrijfsauto met aanhanger), -welke bestuurder links had voorgesorteerd en/of te kennen had gegeven dat hij naar links wilde afslaan richting de Beijerinckweg-, links in plaats van rechts is gaan inhalen en/of heeft ingehaald en/of
- in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (personenauto) niet zodanig te regelen dat hij in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die weg en/of die kruising kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of te botsen tegen, althans in aanrijding te komen met de voornoemde personenauto (bedrijfsauto met aanhanger),
en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 29 januari 2025 vond op de kruising van de Driepoortenweg en de Beijerinckweg binnen de bebouwde kom van Arnhem, waar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt, een verkeersongeval plaats. Hierbij waren een personenauto, te weten een witte Mercedes Benz met kenteken [kenteken] , bestuurd door verdachte, en een bedrijfsauto, te weten een witte Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken] , met aanhangwagen, bestuurd door aangever [slachtoffer] , betrokken. Beide voertuigen kwamen uit de richting van de Westervoortsedijk. Verdachte droeg op dat moment geen gordel. De eerste afgifte van het rijbewijs van verdachte was op 17 februari 2020. Op het moment van het ongeval was hij dus beginnend bestuurder.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit, omdat op basis van het procesdossier niet kan worden bewezen dat aangever [slachtoffer] letsel heeft opgelopen als bedoeld in artikel 6 van de WVW 1994.
Verdachte betwist verder dat de auto van aangever [slachtoffer] stilstond of langzaam reed om linksaf te slaan, dat verdachte niet of niet voldoende heeft gekeken en ook dat verdachte de auto links heeft ingehaald, terwijl deze stond voorgesorteerd en/of kenbaar maakte dat deze links wilde afslaan. Hiervoor bevat het procesdossier ook geen enkel bewijs. Daarom moet verdachte worden vrijgesproken van deze onderdelen van de tenlastelegging.
Verdachte heeft enkel met een te hoge maximumsnelheid gereden en aangever [slachtoffer] ingehaald. Er is geen sprake van roekeloos of zeer onvoorzichtig handelen. Ook hierom moet verdachte worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.
Ten aanzien van het subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling door de rechtbank
De aanrijding
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op de kruising met de Beijerinckweg naar links wilde afslaan. Tijdens het afslaan was er opeens een knal. [slachtoffer] zag en voelde dat er waarschijnlijk een voertuig in zijn linkerflank was gereden. Hij had veel pijn en kreeg geen adem meer. In het ziekenhuis bleek dat hij een gebroken sleutelbeen en een aantal gebroken ribben had. De hersteltijd zou een aantal maanden bedragen, waardoor hij niet kan werken. Twee dagen na het ongeval had hij nog heel veel pijn. Hij is onderzocht door een arts, die drie gebroken ribben en een gebroken sleutelbeen constateerde. De genezingsduur werd geschat op twee maanden.
[getuige] heeft verklaard dat hij net voor de kruising zag dat een busje met aanhangwagen [rb: VW Caddy] vanaf de Driepoortenweg wilde afslaan, de Beijerinckweg op. Terwijl dit busje al afsloeg, werd het ineens ingehaald door een witte Mercedes. De Mercedes reed vol in het bestuurdersportier van het busje. Dit ging zó hard dat de Mercedes de lucht inging en over de sloot heen vloog.
De linkerflank van de bedrijfsauto was gedeformeerd door de botsing met de personenauto. De politie heeft de voertuigen tegen elkaar geplaatst op basis van de camerabeelden en de laksporen op het wegdek. Hieruit bleek dat de bedrijfsauto inderdaad in de linkerflank is geraakt door de Mercedes.
Van het verkeersongeval waren camerabeelden beschikbaar. Op de camerabeelden zag een verbalisant dat een witte bestelbus [rb: VW Caddy] met aanhanger om 14:56:36 uur in de richting van de kruising Beijerinckweg reed en snelheid minderde bij het naderen van de kruising. Om 14:56:42 uur zag de verbalisant dat een wit voertuig [rb: Mercedes] met hoge snelheid in de richting van voornoemde kruising reed. Op dat moment sloeg de bestelbus links af, de Beijerinckweg op. Om 14:56:44 uur zag de verbalisant dat de witte auto tegen de linkerzijde van de bestelbus botste.
Hieruit leidt de rechtbank af dat de VW Caddy niet alleen voornemens was om links af te slaan en de Beijerinckweg in te rijden, maar, anders dan de raadsman voorhield, ook daadwerkelijk al de bocht had ingezet en bezig was af te slaan, waardoor hij schuin naar links op de andere weghelft stond op het moment van aanrijding. Hoe is anders de schade aan beide voertuigen te verklaren: het linkerportier van de VW Caddy was weggerukt en de voorzijde rechts van de Mercedes was ernstig beschadigd.
De snelheid van beide voertuigen
De politie heeft op basis van de genoemde camerabeelden berekend dat de personenauto reed met een indicatieve gemiddelde snelheid van 103 kilometer per uur. De politie heeft een methodiek gebruikt die een (lichte) onderschatting van de daadwerkelijk gereden snelheid geeft.
De personenauto was voorzien van een Event Data Recorder (hierna: EDR). De politie heeft de data uit de EDR onderzocht. Vijf seconden voor het ongeval werd een snelheid van 86 kilometer per uur geregistreerd. Van vijf tot vier seconden voor het ongeval werd het gaspedaal voor honderd procent bediend door de bestuurder. Het rempedaal werd niet bediend. De snelheid nam toe tot 103 kilometer per uur op 3,5 seconden voor het ongeval. Op dat moment liet de bestuurder het gaspedaal geheel los en werd het rempedaal bediend, waardoor de snelheid afnam tot 101 kilometer per uur op drie seconden voor het ongeval. Van drie tot 1,5 seconden voor het ongeval werd het gaspedaal voor 100 procent bediend door de bestuurder en het rempedaal niet. Hierdoor werd 1,5 seconden voor het ongeval een maximale snelheid van 111 kilometer per uur geregistreerd. Vanaf een seconde voor het ongeval bediende de bestuurder het rempedaal, maar het gaspedaal niet. Hierdoor verminderde de snelheid tot 77 kilometer per uur. De personenauto kwam met een snelheid van 67 kilometer per uur in botsing met de bedrijfsauto, maar volgens de politie wordt hiermee de daadwerkelijke snelheid onderschat, omdat er sprake moet zijn geweest van wielspin.
Verdachte heeft erkend dat hij harder reed dan toegestaan.
Bij de VW Caddy werd een voertuigsnelheid van 22 kilometer per uur geregistreerd.
Conclusie inzake de toedracht
[slachtoffer] had bij het naderen van de kruising van de Beijerinksweg snelheid verminderd om linksaf te kunnen slaan, terwijl verdachte hem met zeer hoge snelheid naderde. Het was voor verdachte onduidelijk wat de bestuurder van deze VW Caddy op de kruising wilde doen: links of rechts afslaan of rechtdoor rijden. Verdachte kon er via de rechterkant niet langs, dus heeft hij de auto links ingehaald en hem geraakt. Verdachte was verrast dat de bus naar links ging, aldus zijn verklaring ter zitting.
Uit de camerabeelden blijkt echter dat er twee seconden zaten tussen het moment waarop de VW Caddy links afsloeg en het moment dat verdachte hem raakte. Voor verdachte had het daarom zichtbaar moeten zijn dat de VW Caddy linksaf sloeg, in ieder geval had hij hiermee rekening moeten houden, maar desondanks heeft verdachte ervoor gekozen om de VW Caddy op dat moment in te halen. Verdachte, die volgens zijn eigen verklaring al eerder had gemerkt dat de VW Caddy snelheid minderde, wilde deze links inhalen en kon niet meer op tijd stoppen om een botsing met de VW Caddy te voorkomen. Daarmee had hij zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was om zijn auto tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg en/of de kruising kon overzien en waarover deze vrij was.
De mate van schuld van verdachte
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de WVW 1994. Bij de beantwoording van deze vraag komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig, zeer onvoorzichtig tot roekeloos, waarbij roekeloos geldt als de zwaarste vorm van schuld. Van roekeloosheid is sprake wanneer zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich hiervan bewust was of had moeten zijn.
Met de ‘Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten’ heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175, tweede lid WVW 1994 bepaald dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW 1994 kan worden aangemerkt.
Artikel 5a WVW 1994
Om vast te kunnen stellen of het verkeersgedrag van verdachte voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5a, eerste lid, WVW, moet de rechtbank beoordelen of verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
Ad a en b) schending van de verkeersregels en in ernstige mate
In artikel 5a WVW zijn gedragingen benoemd als voorbeeld van het schenden van de verkeersregels. Gevaarlijk inhalen en overschrijding van de maximumsnelheid zijn dergelijke verkeersregels en worden uitdrukkelijk genoemd in het eerste lid, onder (respectievelijk) b en g van het artikel.
Uit onderzoek van de politie blijkt dat verdachte met een indicatieve snelheid van ongeveer 103 kilometer per uur heeft gereden. Daarmee heeft hij de maximumsnelheid met 100% overschreden.
Verder reed verdachte op een kruispunt af, waar [slachtoffer] snelheid minderde om links af te slaan. Nu dit plaatsvond op een kruising is dat ook een logische conclusie als iemand snelheid mindert. Uit onderzoek van de politie blijkt dat [slachtoffer] met een snelheid van ongeveer 22 kilometer per uur reed. Verdachte wilde [slachtoffer] echter inhalen, en gaf daarvoor van 3 tot 1,5 seconde voor het ongeval nog gas bij tot een snelheid van 111 kilometer per uur. In deze situatie, op een kruispunt terwijl er iemand voor je rijdt die snelheid mindert en waarvan verdachte kennelijk niet wist wat die van plan was, is inhalen gevaarlijk.
Hieruit volgt dat de verdachte deze verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden.
Ad c) opzet
Het opzet van de verdachte moet zowel zijn gericht op het overtreden van een of meer verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regel(s). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet worden afgeleid dat de gedragingen, die elk op zichzelf een overtreding van een verkeersregel inhouden en in veel gevallen niet anders dan opzettelijk kunnen worden begaan, in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige overschrijding van de verkeersregels gericht zijn. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2018/19, 35086, 3, p. 12) bij artikel 5a WVW 1994 is opgenomen dat een aantal gedragingen – waaronder overschrijding van de maximumsnelheid – niet anders dan opzettelijk kunnen worden gepleegd.
De rechtbank is van oordeel dat de wil van verdachte gelet op de uiterlijke verschijningsvorm was gericht op het gevaarlijk inhalen en het in ernstige mate overschrijden van de maximumsnelheid. Het procesdossier bevat verder geen aanwijzingen voor het tegendeel. Het ging hier telkens om bewuste acties die niet anders dan opzettelijk kunnen zijn verricht. Verdachte heeft daarmee zowel opzet gehad op het schenden van de verkeersregels, als op de ernstige mate van schending daarvan.
Ad d) gevaar te duchten
Om vast te stellen dat gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was, moet het gevaar ten tijde van het handelen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar zijn geweest.
De rechtbank is van oordeel dat het voorzienbaar is dat er zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan of mensen zelfs kunnen overlijden wanneer iemand, op een weg waar 50 kilometer per uur mag worden gereden, met een indicatieve gemiddelde snelheid van 103 kilometer per uur rijdt en dan ook nog eens gevaarlijk inhaalt op een kruising. De rechtbank acht dan ook bewezen dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van andere weggebruikers te duchten was.
Conclusie
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere in artikel 5a WVW 1994 genoemde gedragingen, namelijk gevaarlijk inhalen en overschrijding van de maximumsnelheid. Hij is de voorliggende auto met zeer grote snelheid genaderd, heeft geconstateerd dat die auto bij een splitsing met een weg links snelheid minderde, heeft de afweging gemaakt die auto links in te halen, niet wetende of die auto links zou afslaan dan wel rechtdoor zou gaan of rechtsaf slaan. Dat kan, gelet op de ernst van de verkeersfouten en de mate van gevaar voor lijf en leden van anderen, roekeloos verkeersgedrag genoemd worden.
De kwalificatie van het letsel van aangever
Als gevolg van het ongeval heeft [slachtoffer] drie gebroken ribben en een gebroken sleutelbeen opgelopen. De genezingsduur werd geschat op twee maanden.
Gelet op de locatie van de breuken kan het niet anders dan dat [slachtoffer] daar tijdens de genezing door werd gehinderd bij het uitoefenen van zijn normale bezigheden. [slachtoffer] heeft ook verklaard dat hij gedurende een termijn van vier maanden niet kan werken.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit letsel moet worden aangemerkt als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Conclusie
De rechtbank acht het primair tenlastegelegde bewezen, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte roekeloos heeft gereden en dat [slachtoffer] hierdoor zodanig lichamelijk letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.