1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 december 2024 te Nijmegen in een woning, gelegen op/aan [adres] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
aanwezig heeft gehad ongeveer 149,26 gram cocaïne en/of 2,58 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. Daarbij geldt dat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte kon beschikken over de drugs die zijn aangetroffen in de vriezer. Van dat onderdeel van de tenlastelegging moet verdachte worden vrijgesproken.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het aanwezig hebben van drugs.
Beoordeling door de rechtbank
De bewijsmiddelen
Op 17 december 2024 hield de politie verdachte aan in de woning aan [adres] in Nijmegen. Over één van de stoelen bij de eetkamertafel in de woonkamer hing een jas. Verdachte verklaarde dat dit zijn jas was.
Op de eetkamertafel lagen onder andere de volgende goederen: een plastic zakje met wit poeder, twee klein sealbags met wit, kristallig poeder, een geknoopt, doorzichtig zakje met onbekende inhoud, drie kleine zakjes met wit poeder, een tasje van de Smartshop met daarin een klein, geknoopt zakje met wit poeder en een grote, witte brok in een doorzichtig plastic zakje. In totaal ging dit om 99,95 gram cocaïne.
Verdachte heeft verklaard dat ze met zijn drieën in de woning waren. Verdachte was in de woonkamer.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de cocaïne die op tafel lag van hem is.
De beoordeling door de rechtbank
Verdachte heeft verklaard dat de jas die aan een stoel bij de eetkamertafel hing van hem is. Gelet hierop acht de rechtbank zijn verklaring – dat hij niet heeft gezien dat er cocaïne op tafel lag – niet aannemelijk. Verdachte bevond zich in dezelfde ruimte waar de cocaïne is aangetroffen. De cocaïne lag zichtbaar op de eetkamertafel. Daarmee had hij wetenschap van en de beschikkingsmacht over die cocaïne. Verdachte heeft zich echter niet uit die ruimte verwijderd. Daarom vindt de rechtbank dat hij vol opzet had op het aanwezig hebben van die cocaïne. Nu verdachte heeft verklaard dat er nog meer mensen in de woning aanwezig waren en medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdovende middelen van hem zijn, vindt de rechtbank ook dat er sprake is van medeplegen.
De rechtbank is het met de officier van justitie eens dat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte wetenschap van en dus de beschikkingsmacht had over de verdovende middelen die in de diepvries zijn aangetroffen. In zoverre zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het hem tenlastegelegde. Dat betekent dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte met één of meer anderen in totaal 99,95 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.