ECLI:NL:RBGEL:2026:5772
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 3 april 2026
- Zaaknummer
- 05-092887-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht; Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 99,95 gram cocaïne (artikel 2 onder C van de Opiumwet) tot een gevangenisstraf van 30 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf van 150 uur.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 03 december 2024 tot en met 17 december 2024 te Nijmegen, in/vanuit een woning gelegen op/aan [adres] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of
vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, dealer- en/of gebruikers-hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 17 december 2024 te Nijmegen in een woning, gelegen op/aan [adres] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk
aanwezig heeft gehad ongeveer 149,26 gram cocaïne en/of 2,58 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en/of heroïne
(een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op of omstreeks 17 december 2024 te Nijmegen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (een) voorwerp(en), te weten een hoeveelheid geld (1445,- euro) heeft verworven, voorhanden gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of
gebruik van heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde, met dien verstande dat ten aanzien van feit 2 niet kan worden bewezen dat verdachte beschikkingsmacht had over de verdovende middelen die in de vriezer zijn aangetroffen. Ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 3 komt de officier van justitie, gelet op het door haar ingenomen standpunt ten aanzien van feit 1, tot de conclusie dat hiervoor ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.
Als de rechtbank ten aanzien van feit 1 niet kan bewijzen dat er vanuit de woning is gedeald, is de tenlastelegging voldoende afgebakend om in ieder geval bewezen te kunnen verklaren dat verdachte in Nijmegen, althans in Nederland, drugs heeft gedeald in de tenlastegelegde periode.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een pleitnota overgelegd en overeenkomstig gepleit, inhoudende dat hij ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit, omdat verdachte stellig heeft ontkend en het procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs omvat dat verdachte – kort gezegd – drugs heeft gedeald. Ten aanzien van het onderzoek aan de telefoon van verdachte heeft de raadsman betoogd dat de resultaten uit dat onderzoek niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, gelet op de Landeck-jurisprudentie. Als de rechtbank vindt dat de bevindingen uit die telefoon wel voor het bewijs kunnen worden gebruikt, doet de raadsman het voorwaardelijke verzoek om de vermeende afnemers alsnog als getuige te mogen horen.
Ten aanzien van feit 2 heeft verdachte bekend. De raadsman heeft over dit feit aangevoerd dat verdachte geen beschikkingsmacht had over de drugs die in de vriezer zijn gevonden. Daarom moet verdachte worden vrijgesproken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Tot slot heeft de raadsman ten aanzien van feit 3 vrijspraak bepleit, omdat het aangetroffen geld niet van verdachte is en hij daar ook niet over kon beschikken.
Beoordeling door de rechtbank
Feit 1
Medeverdachte Verstappen woont aan [adres] in Nijmegen. Volgens zijn buurvrouw was het bij zijn woning een komen en gaan van mensen. Uit onderzoek van de politie blijkt dat meerdere van die mensen zich op één of andere manier bezig houden of hebben gehouden met verdovende middelen.
Op een aantal van de onderzochte telefoons zijn gesprekken aangetroffen die verband houden met verdovende middelen. Maar daarin werden bijvoorbeeld geen afspraken gemaakt voor het dealen van verdovende middelen. Er is geen buurtonderzoek verricht. De politie heeft ook geen (vermoedelijke) afnemers gehoord als getuige.
Ook als de gesprekken uit de telefoon van verdachte voor het bewijs zouden worden gebruikt, dan is dat bij verder gebrek aan bewijs, zoals hierboven omschreven, onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat het verdachte is geweest die zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan het dealen uit de woning aan [adres] in Nijmegen.
Volgens de officier van justitie kan in de tenlastelegging als pleegplaats worden gelezen ‘in Nijmegen, althans in Nederland’. Los van het feit dat het procesdossier voor het dealen te weinig bewijs bevat, is de rechtbank van oordeel dat dit neerkomt op het denatureren van de tenlastelegging. Het was immers de bedoeling om duidelijk te maken dat er drugs werd gedeald vanuit de woning van medeverdachte Verstappen.
Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde.
Gelet hierop behoeft het door de verdediging ingediende voorwaardelijk verzoek tot het horen van (vermeende) afnemers als getuigen geen bespreking meer.
Feit 2
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 27;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 33-35;
- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 114-124;
- de NFI-rapporten, p. 126-127 en 130-134;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 maart 2025.
De rechtbank is het met de officier van justitie en de raadsman eens dat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte wetenschap van en dus de beschikkingsmacht had over de verdovende middelen die in de diepvries zijn aangetroffen. In zoverre zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het hem onder feit 2 tenlastegelegde. Dat betekent dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte met één of meer anderen in totaal 99,95 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Feit 3
Voor een veroordeling voor witwassen moet de rechtbank een onderliggend gronddelict kunnen vaststellen. Dat kan in dit geval niet, want uit het procesdossier blijkt niet dat verdachte betrokken was bij de handel in verdovende middelen. Hoewel het aangetroffen geld overduidelijk geen legale herkomst heeft, bevat het procesdossier geen bewijs dat verdachte enige handeling heeft verricht die kan leiden tot een veroordeling voor witwassen.
Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.