ECLI:NL:RBGEL:2026:5715
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 11 juni 2026
- Zaaknummer
- 05/335728-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht; Materieel strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
De rechtbank veroordeelt een man tot een poging tot zware mishandeling voor het inrijden op een politieagent en heling van een autobus. De rechtbank spreekt de man vrij van poging tot doodslag en diefstal met braak. De man wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Omdat de poging tot zware mishandeling is gepleegd met een autobus, ontzegt de rechtbank de rijbevoegdheid van de man voor de duur van 12 maanden.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 9 december 2025 te Zetten, gemeente Overbetuwe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever 1] , van het leven te beroven, met een voertuig, te weten een Mercedes Sprinter, (tweemaal) in de richting van die [aangever 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 december 2025 te Zetten, gemeente Overbetuwe, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een voertuig, te weten een Mercedes Sprinter, (tweemaal) in de richting van die [aangever 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij in of omstreeks de periode 6 december 2025 tot en met 8 december 2025 te Amsterdam
een voertuig (Mercedes Sprinter), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 december 2025 te Heelsum, gemeente Renkum, althans in Nederland, een
voertuig (Mercedes Sprinter), althans een goed heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans
redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op dinsdag 9 december 2025 reden verbalisanten [aangever 1] en [verbalisant 1] , hoofdagenten bij de politie (verder [aangever 1] en [verbalisant 1] ), in een opvallend dienstvoertuig, gekleed in politie-uniform. Zij troffen rond 01.00 uur een Mercedes Sprinter bus op de A50 ter hoogte van Heelsum aan die als gestolen stond gesignaleerd. Verdachte was de bestuurder van de Mercedes Sprinter bus (verder: de bus). De bus had een vals kenteken ( [kenteken] ). Het originele kenteken van de bus was [kenteken] . De verbalisanten gaven de bus een volgteken, maar de bestuurder volgde de verbalisanten niet en reed door. De verbalisanten reden achter de bus aan, voerden optische en geluidsignalen en gaven de bus een stopteken door middel van de lichttransparant op het dienstvoertuig. De bus reed zich klem in de haven aan de Veerweg in Randwijk, gemeente Overbetuwe. [aangever 1] stapte uit dienstvoertuig, liep richting de bus en riep dat de bestuurder moest stoppen. De bus reed weg. Na een achtervolging stopte de bus. Verdachte rende van de bus weg. In de bus stak het contactslot uit en zat vast met een kabelboom. Er lag een kapot geslepen stuurslot naast de bestuurdersstoel.
Tussen 6 december 2025 17.00 uur en maandag 8 december 2025 06.30 uur is de Mercedes Sprinter bus voorzien van kenteken [kenteken] , gestolen in Amsterdam.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit onder 1 en het primair ten laste gelegde feit onder 2.
Het standpunt van de verdediging
Verdachte ontkent dat hij bewust op de agenten is ingereden. Toen hij zich klem reed, reed hij juist om de politieagent die voor zijn bus stond heen en hij ging daarbij over een helling. Hij was in paniek en had daarom ook niet gezien dat het politieagenten waren.
Verdachte ontkent ook dat hij de bus heeft gestolen. Hij moest de bus voor een kennis wegbrengen en heeft geen schade aan het contactslot of doorgeslepen stuurslot gezien . Hij bij moest het water een noodstop moest maken waardoor hij tegen het contactslot en kapje van de bus is aangebotst en daardoor is de schade daaraan (pas) ontstaan.
De raadsvrouw heeft bepleit dat integrale vrijspraak moet volgen. Met betrekking tot het eerste feit komen de verklaringen van de verbalisanten niet overeen met de situatie ter plaatse en de door hen gemaakte situatieschets. Een objectieve analyse of reconstructie ontbreekt in het dossier, waardoor onduidelijk is wat er precies is gebeurd. Uit het dossier is niet gebleken met welke snelheid verdachte heeft gereden en er kan dan niet worden vastgesteld of er sprake is van een poging tot doodslag of zware mishandeling. Het is namelijk niet uitgesloten dat verdachte nog had kunnen stoppen of uitwijken. Daarnaast kan niet worden vastgesteld of aangever geraakt zou zijn door de bus als hij niet opzij was gesprongen.
Ten aanzien van feit 2 bevat het dossier geen aanknopingspunten dat verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van de bus. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte wegnemingshandelingen heeft verricht of daaraan heeft bijgedragen. Het tijdsverloop is niet dusdanig kort dat dit al zou blijken uit het feit dat verdachte in de bus is aangetroffen. Verdachte moet ook worden vrijgesproken van het onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde omdat hij ten tijde van het verkrijgen van de bus niet wist of behoorde te weten dat de bus een gestolen goed betrof. Zijn verklaring dat hij die bus voor een bekende moest wegbrengen en dat hij geen braakschade of kapot stuurslot heeft gezien kan niet als ongeloofwaardig of onaannemelijk terzijde worden geschoven.
Beoordeling door de rechtbank
Bewijsmiddelen
[aangever 1] heeft verklaard dat [verbalisant 1] na de achtervolging hun dienstvoertuig op de Veerweg voor de bus zette. [aangever 1] liep naar de bestuurderszijde van de bus en riep verdachte, de bestuurder, aan. [aangever 1] zag dat hij oogcontact had met de verdachte en zei dat verdachte moest stoppen en uit de auto moest stappen. Toen zag hij dat de bus iets naar achter reed en zijn kant op draaide. [aangever 1] liep naar de linkerzijde van de weg. Hij stond met zijn rug naar de verhoging van de weg en op ongeveer twee meter afstand van de bus. [aangever 1] zag dat de bus op hem af kwam rijden. Hij sprong voor de bus langs in de richting van zijn dienstvoertuig. De bus reed rakelings langs hem op. [aangever 1] is ervan overtuigd dat de bus hem als hij niet was weggesprongen geraakt had en dat verdachte er alles aan deed om weg te komen en bewust op hem inreed.
[aangever 1] zag dat verdachte op hem af kwam rijden en geen snelheid minderde.
[verbalisant 1] heeft verklaard dat [aangever 1] uit het dienstvoertuig stapte en richting de bestuurder van de bus (verdachte) liep. Verdachte reed de bus naar achter en probeerde verder te rijden. [verbalisant 1] probeerde met het dienstvoertuig de weg te versperren. Hij zag dat verdachte stopte met achteruit rijden en op dat moment stond [aangever 1] aan de linkerzijde van de veerhaven. De bus reed naar voren. [aangever 1] stond op dat moment ongeveer twee meter voor de bus. [aangever 1] sprong weg in de richting van het dienstvoertuig. [verbalisant 1] is ervan overtuigd dat [aangever 1] was aangereden door de bus als hij niet was weggesprongen.
[aangever 1] heeft een situatieschets gemaakt van de Veerweg in Randwijk, verduidelijkt met foto’s. Hij beschrijft aan de hand van foto 2 dat er aan de linkerkant van de weg een verhoging zit die te steil is om op te lopen. Hierdoor was er geen gemakkelijke uitwijkmogelijkheid naar boven.
Verdachte heeft verklaard dat hij die nacht in de bus op de snelweg reed en een stopteken kreeg. Na een achtervolging reed hij zich klem in de haven. Hij zag een meneer die uitstapte en hem wilde blokkeren.
Feit 1
De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van de verbalisanten en de beschrijving van de situatie ter plaatse en de verklaring van verdachte vast dat verdachte zich in zijn vlucht had klemgereden met zijn bus in een haven. Hij reed vervolgens naar achter, waarna [aangever 1] in de richting van zijn bus liep. Verdachte reed in de richting van [aangever 1] en minderde geen snelheid. Dat verdachte juist om de verbalisant heen gereden zou hebben wordt niet ondersteund door de bewijsmiddelen. Het is immers nagenoeg onmogelijk om met een (grote) bus de genoemde verhoging/helling, die al te steil is om op te lopen, op/over te rijden. Beide verbalisanten verklaren dat [aangever 1] moest wegspringen voor de naderende bus. Zij zijn er beiden van overtuigd dat [aangever 1] was geraakt als hij niet was weggesprongen. Dat er geen verdere technische data zijn, betekent niet dat de rechtbank niet van deze door de verbalisanten op basis van hun waarnemingen gemaakte inschatting kan uitgaan, wat de rechtbank ook doet. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte niet heeft geremd. Van uitwijken is evenmin gebleken terwijl de bus [aangever 1] ondanks zijn wegspringen nog rakelings passeerde. Ook volgt de rechtbank de verklaring van verdachte niet dat hij niet door had of zag dat het politie was die hem een stopteken gaf. Beide verbalisanten droegen hun politie-uniform, reden in een opvallende dienstauto en dat voertuig voerde optische en geluidsignalen. Het is onder die omstandigheden ongeloofwaardig dat verdachte de verbalisanten niet heeft herkend als politiemedewerkers. Uit het dossier is niet komen vast te staan dat verdachte meerdere malen in de richting van [aangever 1] is gereden. De rechtbank concludeert aldus dat verdachte trachtte te vluchten voor de politie en toen met de bus eenmaal op [aangever 1] is ingereden.
Vrijspraak van poging tot doodslag
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat kan worden vastgesteld dat verdachte het volle, dan wel het voorwaardelijk opzet op de dood van [aangever 1] heeft gehad.
Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte het volle opzet om van [aangever 1] te doden door met de bus op hem in te rijden. Evenmin kan worden vastgesteld dat hij daartoe het voorwaardelijk opzet had. Daarvoor is vereist dat de gedragingen van verdachte de aanmerkelijke kans opleverden dat [aangever 1] daardoor kwam te overlijden en dat verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard.
Niet kan worden vastgesteld uit de bewijsmiddelen met welke snelheid verdachte op [aangever 1] afreed. Er volgt wel uit de verklaring van [aangever 1] dat verdachte toen geen snelheid minderde, maar daaruit kan niet worden vastgesteld dat verdachte met dusdanig hoge snelheid op [aangever 1] af reed dat een aanrijding – indien [aangever 1] niet was weggesprongen – de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel mee zou brengen. Dat kan ook overigens niet uit de vastgestelde omstandigheden worden afgeleid.
De rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
Poging tot zware mishandeling
Dat verdachte het volle opzet had om [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen is niet gebleken uit de bewijsmiddelen.
Wel acht de rechtbank bewezen dat verdachte daarop voorwaardelijk opzet had: doordat verdachte met de bus, zonder snelheid te minderen is afgereden op [aangever 1] , die alleen een aanrijding kon voorkomen door weg te springen, heeft hij hiermee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangever 1] hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er sprake was van een bus van aanzienlijke omvang en gewicht en dat [aangever 1] als voetganger kwetsbaar was en richting verdachte liep. Een aanrijding tussen een dergelijke bus met enige snelheid (verdachte was eerst naar achter gereden en trok daarna op om weer vooruit te rijden) en een voetganger leidt immers, naar algemene ervaringsregels, tot een aanmerkelijke kans dat de voetganger zwaar lichamelijk letsel oploopt. Verdachte was al eerder gevlucht voor de politieagenten waarbij hij meerdere stoptekens negeerde. Nadat hij zich klem had gereden probeerde verdachte wederom te vluchten door in te rijden op [aangever 1] . Dat er van een daadwerkelijke aanrijding geen sprake is geweest, is te danken aan het feit dat [aangever 1] heeft weten weg te springen. De gedragingen van verdachte zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [aangever 1] dat hieruit volgt dat verdachte de aanmerkelijke kans hierop ook bewust heeft aanvaard, waardoor er sprake is van voorwaardelijk opzet. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken.
De rechtbank acht de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling daarom ook wettig en overtuigd bewezen. Dit feit heeft plaatsgevonden in Randwijk en niet zoals ten laste gelegd in Zetten. Nu Randwijk valt onder de gemeente Overbetuwe die wel in de tenlastelegging is opgenomen, zal de rechtbank in de bewezenverklaring volstaan met het benoemen van de gemeentenaam. Verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging, nu uit zijn verklaring ter zitting blijkt dat hij wist waar de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld waarop de tenlastelegging is gebaseerd.
Feit 2
Vrijspraak diefstal met braak
Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met braak van de Mercedes Sprinter.
De rechtbank volgt de officier van justitie niet in het standpunt dat het tijdsbestek tussen de diefstal van de Mercedes Sprinter en het aantreffen van verdachte als bestuurder (een periode van tussen de 18,5 en 80 uur) zodanig kort is dat reeds daardoor buiten redelijke twijfel staat dat verdachte degene moet zijn geweest die de diefstal heeft gepleegd. Nu overige bewijsmiddelen voor wederrechtelijke toe-eigening door verdachte ontbreken, spreekt de rechtbank verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit.
Heling
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 9 december 2025 in een gestolen Mercedes Sprinter met een vals kenteken reed. Verdachte is in het midden van de nacht aangetroffen in een gestolen Mercedes Sprinter, waarna hij wegvluchtte voor de politie. Het contactslot hing los en zat enkel nog vast aan een kabelboom. Dat deze schade pas is ontstaan nadat verdachte al in de bus reed, doordat hij daar bij een noodstop met zijn knie tegenaan kwam acht de rechtbank volstrekt onaannemelijk. Ook lag er een doorgeslepen stuurslot in de bus. Hoewel verdachte heeft verklaard de bus voor een kennis te hebben moeten wegbrengen wordt deze verklaring niet nader onderbouwd. Gelet op de omstandigheden hoe verdachte in de bus is aangetroffen is de rechtbank van oordeel dat verdachte al bij het voorhanden krijgen wist dat de Mercedes Sprinter van diefstal afkomstig was.
De rechtbank acht daarmee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de Mercedes Sprinter.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.