ECLI:NL:RBGEL:2025:5900
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 30 juni 2025
- Zaaknummer
- 05-395660-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
De militaire kamer veroordeelt verdachte wegens poging tot zware mishandeling en overtreding van de artikelen 5a, 7, eerste lid, onderdeel b en 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 tot een gevangenisstraf van 480 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 280 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarden, die dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Daarnaast een rij-ontzegging van 18 maanden. Vrijspraak feit 1 en 4 primair. Inrijden op agenten.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 12 december 2024 op de Kortenbachstraat te Noordwijkerhout, althans in de gemeente Noordwijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] (hoofdagent bij Politie eenheid Den Haag) opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid, op die [aangever 1] is ingereden, althans in de richting van die [aangever 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 december 2024 op de Kortenbachstraat te Noordwijkerhout, althans in de gemeente Noordwijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever 1] (hoofdagent bij de Politie eenheid Den Haag) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid, op die [aangever 1] is ingereden, althans in de richting van die [aangever 1] is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 december 2024 te Noordwijkerhout, gemeente Noordwijk [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde auto met hoge snelheid, althans met aanzienlijke snelheid, op die [aangever 1] ingereden, althans in de richting van die [aangever 1] gereden;
2.
hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 12 december 2024 (omstreeks 02:32 uur) te Noordwijkerhout, gemeente Noordwijk, althans in Nederland, als bestuurder van een personenauto daarmee rijdende over de weg zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door
- geen gevolg te geven aan door politieambtenaren gegeven verkeersaanwijzingen (middels stoptransparant) zijn voertuig te stoppen,
- meermalen, althans eenmaal, op meerdere wegen in Noordwijkerhout te rijden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
- meermalen, althans eenmaal, meerdere kruisingen en/of rotondes te passeren/over te steken met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was,
- in strijd met artikel 10 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 niet de rijbaan te gebruiken en/of te berijden, maar met het door hem bestuurde voertuig over het trottoir te rijden en/of (vervolgens) over een grasveld om een boom heen te rijden,
- meermalen, althans eenmaal, in strijd met artikel 62 jo. bord D1 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 tegen de verkeersrichting in (linksom) de rotondes Maandagsewetering/Wildlaan, Wildlaan/Schelftweg en/of Schippersvaartweg/Schelftweg over te rijden,
- terwijl verbalisant [aangever 1] in de rijrichting en/of in de directe nabijheid van zijn voertuig stond, (vanuit stilstand) (hard) op te trekken en/of (veel) gas te geven,
- ( vervolgens) op die [aangever 1] af te rijden, in te rijden en/of in de richting van die [aangever 1] te rijden en/of
- met het door hem, verdachte, bestuurde voertuig, tegen één of meer (andere) voertuigen en/of een betonnen paaltje aan te rijden en/of te botsen,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
3.
hij, als degene door wiens gedraging(en) één of meer verkeersongeval(len) was/waren veroorzaakt, welke gedraging(en) hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval(len) had(den) plaatsgevonden in de gemeente Noordwijkerhout op/aan de Kortenbachstraat en/of in de gemeente Lisse op/aan een perceel (bollenveld) gelegen aan de Leidsevaart, op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 12 december 2024 de (voornoemde) plaats(en) van vorenbedoeld(e) ongeval(len) heeft verlaten, terwijl bij dat/die ongeval(len), naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander en/of anderen (te weten de Politie-eenheid Den Haag en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] ) letsel en/of schade was toegebracht;
4.
hij op of omstreeks 12 december 2024 te Noordwijkerhout en/of Lisse, althans in Nederland,
een voertuig, te weten een personenauto heeft bestuurd na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 350 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, in elk geval een gehalte hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;
subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden
hij op of omstreeks 12 december 2024 te Noordwijkerhout en/of Lisse, althans in Nederland, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cocaïne, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair, 2, 3 en 4 subsidiair tenlastegelegde.
De officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot vrijspraak van de onderdelen van de tenlastelegging die zien op het paaltje (onder feit 2) en het bollenveld (onder feit 3).
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit. Er is geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [aangever 1] of op het hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet op hem is ingereden en ook niet in zijn richting is gereden. Verder is de snelheid niet bepaald, nu is nagelaten daarnaar enig onderzoek te doen. De snelheid waarmee verdachte reed moet gering zijn geweest, want er was later geen of nauwelijks schade aan het dienstvoertuig. Gelet op het feit dat verdachte met niet meer dan geringe snelheid heeft gereden, was er geen sprake van een aanmerkelijke kans op het overlijden, dan wel het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde refereert de raadsman zich aan het oordeel van de militaire kamer.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op [aangever 1] , gelet op hetgeen bij feit 1 is bepleit, en het paaltje, nu op de camerabeelden te zien is dat verdachte die niet uit de grond heeft gereden, maar dat dit op een eerder moment is gebeurd. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de militaire kamer.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit van die onderdelen van de tenlastelegging die zien op het toebrengen van schade aan de Politie-eenheid Den Haag, gelet op hetgeen hij bij feit 1 heeft bepleit, en het bollenveld aan de Leidsevaart van [aangever 4] , omdat dit niet valt onder een verkeersongeval in de zin van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de militaire kamer.
Tot slot heeft de raadsman zich ten aanzien van feit 4 gerefereerd aan het oordeel van de militaire kamer.
De beoordeling door de militaire kamer
De betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen
De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen en processen-verbaal van verbalisanten [aangever 1] en [verbalisant 1] in twijfel getrokken.
De militaire kamer deelt die twijfel niet. Hun processen-verbaal zijn relatief kort na het incident waarin verdachte volgens hen op [aangever 1] is ingereden op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. In beginsel moet daar dus op worden vertrouwd. [aangever 1] heeft gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent verklaard. Beiden hebben vanuit hun eigen beleving en positie verklaard en hun verklaringen komen op essentiële onderdelen overeen. Bovendien maken zij ook duidelijk wat ze niet weten. Zo verklaart verbalisant [verbalisant 1] dat hij een harde klap hoorde toen verdachte de parkeerplaats verliet en later zag dat er een betonnen paaltje uit de grond was gereden, zonder daaraan automatisch de conclusie te verbinden dat het dus verdachte moet zijn geweest die dit heeft gedaan. Tot slot worden hun verklaringen ondersteund door objectieve bewijsmiddelen, zoals bijvoorbeeld de geconstateerde schade aan de auto’s, ook wanneer die schade minder is dan zou worden verwacht.
Gelet hierop is de militaire kamer van oordeel dat de verklaringen en processen-verbaal betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Feit 1
De bewijsmiddelen
Verbalisant [aangever 1] , hoofdagent bij de Politie Eenheid Den Haag, heeft verklaard dat hij op 12 december 2024 met zijn collega [verbalisant 1] betrokken raakte bij de achtervolging van een zwarte Peugeot 207 met kenteken [kenteken] . Bij het raadplegen van het kenteken, zagen zij dat de tenaamgestelde van het voertuig “ [verdachte] ” betrof. Betreffende verbalisanten herkenden deze naam direct, naar aanleiding van een melding die eerder op de avond was gedaan door een andere eenheid van de politie. Hierop volgde een wilde achtervolging, zoals hierna wordt beschreven. Op enig moment reed de Peugeot het (doodlopende) steegje van de Kortenbachstraat te Noordwijkerhout in. [verbalisant 1] zette hun voertuig stil, zodat de Peugeot er niet meer uit kon. Hun auto stond in het midden, om te voorkomen dat de Peugeot weg kon rijden. De bestuurder van de Peugeot zette de Peugeot in het meest linkervak van achteren. [verbalisant 1] en [aangever 1] zijn uitgestapt en lieten de portieren van hun voertuig open om te voorkomen dat de bestuurder van de Peugeot er makkelijk langs kon rennen. [aangever 1] positioneerde zich net voor zijn portier, rechts van hun voertuig. Aan zijn rechterkant stonden een aanhanger en een personenauto van het merk Kia. [aangever 1] stond recht voor de Peugeot. De Peugeot reed weer een stukje achteruit en stak een paar keer om de neus van zijn voertuig hun kant op te krijgen. Uiteindelijk stond de Peugeot met zijn neus naar [aangever 1] op een afstand van (zo gokt [aangever 1] ) maximaal ongeveer drie tot vier meter. [aangever 1] keek de bestuurder recht in zijn ogen aan en herkende hem als verdachte aan zijn rijbewijsfoto. [aangever 1] hoorde een hard geluid van de motor van het voertuig van verdachte. De motor maakte hoge toeren. Het motorgeluid werd harder. Amper een fractie later hoorde [aangever 1] het geluid van piepende banden erbij komen. Hij zag dat dat de Peugeot vooruit schoot en zijn richting op kwam. De auto begon hard te accelereren. De afstand tussen [aangever 1] en de auto verkleinde heel snel. [aangever 1] schrok hierdoor enorm en moest een hele snelle en grote sprong zijwaarts maken om niet te worden geraakt. Als hij dit niet had gedaan, was hij zeker geraakt. Hij belandde tussen de Kia en de aanhangwagen. Hij hoorde een harde knal en zag de Kia flink bewegen en schudden. Direct hierna hoorde [aangever 1] nog een knal en het geluid van twee voertuigen die langs elkaar schuurden. Toen hij opkeek, was het portier van zijn kant van het voertuig dichtgeslagen. Toen de Peugeot langs hem reed, was de afstand tussen hem en de Peugeot minder dan een meter. Als [aangever 1] zijn arm een beetje had uitgestoken, had hij het voertuig geraakt.
Verbalisant [verbalisant 1] , de collega van [aangever 1] , heeft verklaard dat na een achtervolging de Peugeot op de Kortenbachstraat reed en toen rechtsaf een doodlopende parkeerplaats op reed met aan beide kanten parkeervakken. Op bijna alle parkeervakken stonden auto’s. De ruimte tussen de parkeervakken aan beide zijden bedroeg hoogstens 7 meter. De Peugeot kwam tot stilstand bij het hek aan het einde van de parkeerplaats. Er was geen ruimte langs hun dienstvoertuig waardoor de Peugeot zonder schade zou kunnen ontkomen. [verbalisant 1] heeft het dienstvoertuig op ongeveer 3 meter achter het voertuig stil gezet. [aangever 1] en hij stapten uit en gingen naast hun openstaande portier staan. [verbalisant 1] riep luidkeels en op niet mis te verstande wijze dat de bestuurder zijn voertuig stil moest zetten en uit moest stappen. Hij besloot om zijn stroomstootwapen te laten knetteren. De Peugeot reed met de voorkant in een loos stukje ruimte en reed vrijwel direct terug, recht achteruit. De Peugeot reed met piepende banden enkele meters naar achter. Daarna reed de Peugeot met piepende banden vooruit, waarbij hij hard versnelde in de richting van [aangever 1] . [aangever 1] , die voor zijn portier stond, pakte zijn dienstwapen en richtte dit op de bestuurder. Daarna sprong [aangever 1] naar rechts, tussen een geparkeerd voertuig en een aanhanger. [verbalisant 1] zag dat de Peugeot [aangever 1] op een haar na miste, waarna hij hard tegen de rechtervoorzijde van hun dienstvoertuig reed. Hierna reed de Peugeot hard tegen het openstaande bijrijdersportier, dat met een harde klap dichtsloeg. De Peugeot raakte ook de geparkeerde voertuigen naast hun dienstvoertuig.
Verdachte heeft verklaard dat hij het gaspedaal vol intrapte op de parkeerplaats.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer constateert dat er geen onderzoek is verricht naar eventuele sporen op de parkeerplaats. Daardoor kan niet objectief en met zekerheid worden vastgesteld met welke snelheid verdachte op [aangever 1] afreed. De militaire kamer beschikt daarmee over onvoldoende informatie om te kunnen bepalen of er een aanmerkelijke kans op diens dood bestond. Daarom zal de militaire kamer verdachte vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Verdachte heeft verklaard dat hij stapvoets reed en dat er meer dan genoeg ruimte was om langs de verbalisanten heen te rijden. Deze verklaring acht de militaire kamer evenwel niet aannemelijk, gelet op de verklaringen van de verbalisanten, onder meer inhoudende dat verdachte bij het wegrijden het rechterportier van het dienstvoertuig raakte, waardoor deze dichtsloeg, en dat verdachte bij het wegrijden geparkeerde voertuigen naast het dienstvoertuig raakte.
Gelet op de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de militaire kamer wel vast dat verdachte vanaf een korte afstand, waarbij verdachte onvoldoende ruimte had om langs het dienstvoertuig weg te rijden, met hoge toeren en piepende banden, in de richting van verbalisant [aangever 1] is gereden.
De militaire kamer is van oordeel dat er in deze omstandigheden een aanmerkelijke kans bestond dat verbalisant [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel op had kunnen lopen als hij niet opzij was gesprongen tussen een geparkeerd voertuig en een aanhanger en verdachte hem daadwerkelijk had geraakt met zijn auto.
Voornoemde gedraging van verdachte is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.
Daarmee acht de militaire kamer het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
De bewijsmiddelen
Er is (met uitzondering van de tenlastegelegde gedragingen die zien op verbalisant [aangever 1] en de gedraging die ziet op het rijden tegen een paaltje) sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20-22;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 25-27;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 95-96;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2025.
De beoordeling door de militaire kamer
Op basis van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen stelt de militaire kamer vast dat verdachte geen gevolg heeft gegeven aan het stopteken dat de politie hem gaf. Hij heeft op meerdere wegen gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan veilig was. Hij heeft meerdere kruisingen en rotondes gepasseerd en/of overgestoken, eveneens met een aanzienlijk hogere snelheid dan veilig was. Hij heeft over het trottoir gereden om vervolgens over een grasveld om een boom heen te rijden. Hij heeft meerdere rotondes tegen de verkeersrichting in, dus linksom, genomen.
Ten aanzien van het uit stilstand hard optrekken en veel gas geven, terwijl [aangever 1] in de rijrichting en/of in de directe nabijheid van zijn voertuig stond, en het afrijden op, inrijden op en/of in de richting rijden van die [aangever 1] verwijst de militaire kamer naar haar oordeel en conclusies ter zake van feit 1.
Hiermee heeft verdachte de verkeersregels in ernstige mate geschonden. Uit zijn verklaring ter terechtzitting blijkt dat hij dit opzettelijk heeft gedaan, omdat hij de politie wilde ontvluchten. De militaire kamer is van oordeel dat door de gedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, dan wel anderen, te duchten was.
De militaire kamer acht dit feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Uit de camerabeelden blijkt dat het paaltje op de parkeerplaats al scheef stond voordat verdachte de parkeerplaats opreed. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de militaire kamer hem dan ook vrijspreken.
Feit 3
De bewijsmiddelen
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 20;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 27;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 34;
- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 3] , p. 125-127;
- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 5] namens de politie, p. 72-73;
- het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , p. 128-129;
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2025.
De beoordeling door de militaire kamer
Op basis van de opgegeven bewijsmiddelen stelt de militaire kamer vast dat verdachte met zijn auto langs/tegen de voertuigen van de Politie Eenheid Den Haag, [aangever 2] en [aangever 3] is gereden, waardoor schade is ontstaan aan die voertuigen. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat hij schade had gereden, maar is weggegaan zonder zichzelf kenbaar te maken. Daarmee acht de militaire kamer dit feit wettig en overtuigend bewezen.
Evenals de officier van justitie en de raadsman is de militaire kamer van oordeel dat de door verdachte veroorzaakte schade aan het bollenveld geen verkeersongeval in de zin van artikel 7 WVW 1994 is. Hiervan zal de militaire kamer hem vrijspreken.
Feit 4
De bewijsmiddelen
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 43-44;
- het proces-verbaal van aanhouding verdachte, p. 139-141;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 60;
- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 juni 2025.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer constateert dat uit het procesdossier niet blijkt dat verdachte schriftelijk in kennis is gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek. Er is dus niet voldaan aan de eis die is neergelegd in artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Dat betekent dat geen sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de WVW 1994. Daarom zal de militaire kamer hem vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Op basis van de hiervoor opgegeven bewijsmiddelen stelt de militaire kamer wel vast dat verdachte een personenauto heeft bestuurd, terwijl hij onder zodanige invloed was van cocaïne dat hij niet tot behoorlijk besturen van die auto in staat moest worden geacht, en hij wist of redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van cocaïne zijn rijvaardigheid kon verminderen.
Conclusie
De militaire kamer spreekt verdachte vrij van het hem onder 1 en 4 primair tenlastegelegde en acht feiten 1 subsidiair, 2, 3 en 4 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.