ECLI:NL:RBGEL:2025:12059
Rechtbank Gelderland
- Uitspraak
- 1 december 2025
- Zaaknummer
- 05-070442-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
De militaire kamer veroordeelt verdachte wegens het medeplegen van gekwalificeerde opzetaanranding en het medeplegen van het opzettelijk een andere militair feitelijk aanranden tot twee weken militaire detentie, waarvan één week voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering benadeelde partij.
Uitspraak
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.hij op of omstreeks 02 december 2024 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met een persoon, te weten [aangever] een of meer seksuele handelingen heeft/hebben verricht, te weten- het (over de kleding) meermalen, althans eenmaal, slaan en/of betasten en/of aanraken van de billen en/of de anus van die [aangever] en/of- het (over de kleding) aanraken en/of brengen van de vinger in/tegen de anus van die [aangever] en/of- het (over de kleding) betasten en/of aanraken en/of vastpakken en/of vastgrijpen van de penis van die [aangever] ,althans het betasten van het lichaam van die [aangever] ,
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader, wisten, althans ernstige reden hadden om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak,
en welke opzetaanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door- onverhoeds (over de kleding) de billen en/of de anus van die [aangever] te betasten en/of- onverhoeds (over de kleding) aanraken en/of brengen van de vinger in/tegen de anus van die [aangever] en/of- onverhoeds (over de kleding) betasten en/of aanraken en/of vastpakken en/of vastgrijpen van de penis van die [aangever] en/of- daarbij voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet en/of weerstand van die [aangever] en/of- door die [aangever] bij de schouder(s) en/of arm(en) vast te pakken en/of (vervolgens) tegen de muur te drukken en/of in een hoek te drijven en/of vast te houden en/of- (aldus) een bedreigende situatie voor die [aangever] te doen ontstaan;
2.hij, als militair, in de rang van soldaat 3, op of omstreeks 02 december 2024 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk [aangever] , die toen militair, in de rang van soldaat 3 was, althans die bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam was, feitelijk heeft bedreigd met geweld en/offeitelijk heeft aangerand door toen en daar opzettelijk
- die [aangever] meermalen, althans eenmaal, op/tegen de billen te slaan en/of de billen en/of de anus van die [aangever] (over de kleding) te betasten en/of aan te raken en/of- (over de kleding) aanraken van en/of een vinger in/tegen de anus van die [aangever] te brengen en/of- de penis van die [aangever] (over de kleding) te betasten en/of aan te raken en/of vast te pakken en/of vast te grijpen en/of- die [aangever] bij de schouder(s) en/of arm(en) vast te pakken en/of (vervolgens) tegen de muur te drukken en/of in een hoek te drijven en/of vast te houden.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaring van aangever op een aantal punten niet consistent en gedetailleerd is, bijvoorbeeld over de locatie waar het incident zou hebben plaatsgevonden, de handelingen die verdachten zouden hebben gepleegd, wie van de verdachten als eerste bij hem zou zijn gekomen en waarvandaan. Getuigen hebben hier ook niet duidelijk over verklaard. Dit maakt dat behoedzaam moet worden omgegaan met de verklaring van aangever.
Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen van de getuigen de vermeende aanranding direct heeft waargenomen.
Uit de getuigenverklaringen blijkt dat verdachte niet meteen na het voorval geëmotioneerd was, maar dat er eerst een gesprek heeft plaatsgevonden waarin zijn emotie is ontstaan. Dit kan dus niet worden gebruikt als steunbewijs.
Ook het feit dat verdachte zijn excuses heeft aangeboden, kan niet als steunbewijs dienen, omdat dit geen ondubbelzinnig verband houdt met de verweten seksuele gedragingen.
Het insluiten of tegen een muur drukken, waarover getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren, kan de context van de gebeurtenissen bevestigen, maar ziet niet op de seksuele handelingen. Bovendien was een stoeipartij binnen de groep blijkbaar een normale gang van zaken.
Er is verder geen objectief bewijs, omdat er geen DNA-onderzoek is verricht aan de kleding van aangever.
Gelet op het voorgaande moet verdachte worden vrijgesproken van feiten 1 en 2.
Verder heeft de raadsvrouw ten aanzien van feit 1 subsidiair aangevoerd dat deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm juist niet kunnen worden geduid als seksuele handelingen, omdat het meer lijkt te gaan om een soort ontgroening. Daarom zou verdachte in ieder geval van feit 1 moeten worden vrijgesproken.
Beoordeling door de militaire kamer
De betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de militaire kamer voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat alleen het vermeende slachtoffer en de vermeende dader(s) aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen. Bij een ontkennende verdachte brengt dit in veel gevallen mee dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel kan dienen. In dit geval is dat de verklaring van [aangever] .
Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige of enkel op basis van de verklaring of aangifte van het slachtoffer. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de militaire kamer verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de in deze verklaring genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
Dit betekent dat – in een geval als dit, waarin wordt ontkend dat de handelingen zijn gepleegd, dan wel wordt aangevoerd dat de handelingen niet ontuchtig zijn, en er geen getuigen van de ten laste gelegde seksuele handelingen zijn – de militaire kamer eerst de betrouwbaarheid van de verklaring van het vermeende slachtoffer moet beoordelen en daarnaast moet bepalen of voor de verklaringen van het vermeende slachtoffer voldoende steunbewijs in het dossier aanwezig is.
Dat steunbewijs hoeft, zo volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad, bij zedenzaken niet per definitie te zien op de ontuchtige handelingen zelf. Het is afdoende wanneer de verklaring van de aangever op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Met andere woorden: de bewezenverklaring van onderdelen van de tenlastelegging kan wel op één enkele verklaring berusten.
Dit steunbewijs kan onder andere worden gevormd door bewijsmiddelen over de emotie bij het slachtoffer na het delict. Het tijdsverloop is daarbij relevant, hoewel niet alleen emoties die kort na het incident zijn waargenomen voldoende steunbewijs kunnen opleveren (zie bijvoorbeeld de door de Hoge Raad gevolgde conclusie in ECLI:NL:PHR:2024:356 en ECLI:NL:PHR:2024:508).
Verder is van belang dat de militaire kamer uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting onverminderd de overtuiging moet krijgen dat het feit is gepleegd zoals het de verdachte wordt verweten. Zeker als de bewijsmiddelen schaars zijn, moet de militaire kamer behoedzaamheid betrachten om, op grond van hetgeen overigens blijkt, aan te nemen dat het feit is gepleegd.
In dit verband overweegt de militaire kamer het volgende.
In tegenstelling tot de verdediging vindt de militaire kamer de verklaringen van aangever gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent. Hij lijkt het incident en het aandeel van verdachten daarin niet groter te maken dan het was. Eventuele onduidelijkheden en inconsistenties tussen zijn verklaring tijdens het informatief gesprek zeden en zijn uiteindelijke verhoor wijt de militaire kamer aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen. Bovendien zien deze verschillen niet op elementaire onderdelen van het tenlastegelegde, maar op ondergeschikte punten. De militaire kamer acht de verklaring van aangever dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
De verdediging heeft met betrekking tot het steunbewijs aangevoerd dat geen van de getuigen de vermeende handelingen heeft gezien of gehoord. Het klopt dat de ontuchtige handelingen niet door anderen zijn waargenomen. Dat geldt echter niet voor de dwingende, gewelddadige en/of bedreigende handelingen waarover aangever heeft verklaard. Zo heeft getuige [getuige 2] gezien dat verdachten [aangever] insloten en zag getuige [getuige 1] dat verdachten hem in een hoek dreven.
Volgens de verdediging kan niet worden uitgesloten dat deze handelingen ook bij een stoeipartij zouden kunnen passen. De militaire kamer is echter van oordeel dat hun verklaringen op dit punt de lezing van dit incident door aangever ondersteunen, zeker omdat de verklaringen van deze getuigen totaal niet passen bij de verklaringen van verdachten. Volgens hen heeft dit incident namelijk in het geheel niet plaatsgevonden. Verdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij enkel de schouder van aangever heeft aangeraakt toen hij een sarcastische opmerking maakte, terwijl verdachte [verdachte] heeft verklaard over een stoeipartij op de kamer van aangever, waarover verder geen enkele getuige heeft verklaard.
Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van aangever en de verschillende getuigen elkaar tegenspreken, bijvoorbeeld ten aanzien van de locatie op de gang waar het incident zou hebben plaatsgevonden en de handelingen die daarbij zouden zijn verricht, maar ook omtrent wie wanneer uit welke kamer zou zijn gekomen en in welke volgorde aangever en verdachten zouden hebben gelopen.
De militaire kamer ziet in de verklaringen van aangever en getuigen geen (relevante) tegenstrijdigheden. De genoemde verschillen op detailniveau doen niet af aan de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen als geheel beschouwd. Aangever en getuigen hebben, ieder afzonderlijk en in eigen woorden, verklaard wat zij hebben waargenomen.
Daarbij overweegt de militaire kamer dat het niet heel gek is dat iemand in een gesprek met een klasgenoot net iets andere bewoordingen gebruikt dan bij zijn leidinggevende of bij de Koninklijke Marechaussee. Bovendien verklaren de getuigen over een korte momentopname waarin zij bepaalde dingen hebben waargenomen, waarbij zij hun waarnemingen vervolgens zelf hebben geïnterpreteerd als bijvoorbeeld ‘insluiten’ of ‘in een hoek drijven. Daarbij acht de militaire kamer verschillen in de verklaringen over de specifieke plek waar verdachten en aangever op de gang stonden irrelevant, nu uit de foto’s van deze gang blijkt dat deze dusdanig smal is dat dit de genoemde verschillen volledig kan verklaren. Zoals hiervoor overwogen, blijkt uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] in ieder geval dat de situatie waarin verdachten en aangever zich bevonden anders was dan door verdachten is geschetst. Naar het oordeel van de militaire kamer draagt dit bij aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever, terwijl het afbreuk doet aan die van verdachten.
Gelet hierop is de militaire kamer van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] over de handelingen van verdachten die zij hebben waargenomen, kunnen worden gebruikt als steunbewijs.
Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de emoties van aangever niet als steunbewijs kunnen worden gebruikt, omdat deze pas in de loop van de gevoerde gesprekken op gang kwamen.
De militaire kamer overweegt dat alle getuigen, behalve sergeant [getuige 5] , aangever heel kort na het incident gesproken, waarbij ze de emoties zagen waarover zij hebben verklaard. Getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] bevonden zich op de kamer van aangever, waar hij direct na het incident naartoe is gegaan. Vervolgens heeft hij hen verteld wat hem is overkomen. Daarna heeft aangever, na een tussenstop op de kamer van verdachten, op de dameskamer aan onder andere getuige [getuige 4] nogmaals zijn verhaal gedaan. Uiterlijk drie kwartier na het incident heeft aangever vervolgens ook nog sergeant [getuige 5] ingelicht. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat hun waarnemingen over de emoties van aangever bruikbaar zijn als steunbewijs. Hierbij neemt de militaire kamer – wellicht ten overvloede, nu deze waarnemingen in een tijdsspanne van direct na het incident tot maximaal drie kwartier daarna – in aanmerking dat niet enkel emoties die kort na het incident zijn waargenomen voldoende steunbewijs kunnen opleveren.
Verder overweegt de militaire kamer dat de emoties van aangever, en de manier waarop deze op gang kwamen, authentiek overkomen. Uit de getuigenverklaringen ontstaat het beeld dat aangever in eerste instantie niet helemaal leek te kunnen bevatten wat hem zojuist was overkomen. De militaire kamer vindt het heel begrijpelijk dat dit besef pas later ontstond. Dat zijn emoties hierdoor pas in de loop van de disclosures op gang kwamen, maakt nog niet dat de emotie wordt gevoed door de getuigen of de gesprekken die aangever met hen heeft gevoerd. Aangever heeft uit eigen beweging zijn verhaal gedaan en zijn emoties kwamen voort uit hemzelf.
Ook de verklaringen van de getuigen over de emoties van aangever kunnen daarom worden gebruikt als steunbewijs.
Ten overvloede, omdat de raadsvrouw hier in haar pleidooi geen verdere conclusies aan heeft verbonden, merkt de militaire kamer op dat het resultaat van eventueel DNA-onderzoek aan de kleding van aangever de bewijskracht van de andere bewijsmiddelen niet zou hebben aangetast en daarom juridisch gezien niet relevant is.
De bewijsmiddelen
Zowel verdachten [medeverdachte] en [verdachte] als aangever [aangever] zijn soldaat der derde klasse of overeenkomstig en nemen sinds 18 november 2024 deel aan de School Initiële Vorming Onderofficier (SIVO).
[aangever] heeft verklaard dat hij op maandag 2 december 2024 rond 20:15 à 20:30 uur in de gang stond op de [kazerne] in Ermelo. [aangever] zag verdachten (in eerste instantie) niet, want hij stond met zijn rug naar hen toe. Hij voelde dat [verdachte] op zijn kont sloeg, waar hij voelde dat de vingers van [verdachte] tegen zijn kringspier aan kwam. [aangever] schrok en deed twee of drie stappen achteruit. [medeverdachte] pakte hem bij zijn linkerschouder en vroeg hem twee keer: ‘Vond je dat fijn, vond je dat lekker?’ [aangever] antwoordde ‘nee’. Vervolgens vroeg [verdachte] of de 24 uur voorbij waren, waarop [medeverdachte] op zijn horloge keek en zei dat de 24 uur voorbij waren. [aangever] voelde dat [medeverdachte] hem bij zijn lul pakte. Hierop reageerde [aangever] door 90 graden naar rechts te draaien. Daarna werd hij weer bij zijn kont gegrepen en voelde hij een vinger tegen zijn kringspier aan. [medeverdachte] greep hem weer bij zijn lul. [aangever] probeerde weg te lopen, maar dat lukte niet, omdat hij werd vastgehouden, door [medeverdachte] bij zijn linkerschouder en door [verdachte] bij zijn rechterbovenarm. Hierdoor werd hij met zijn linkerschouder tegen de muur gedrukt en in een hoek gedreven. Verdachte droeg tijdens het incident onder andere zijn GVT-broek.
[getuige 1] heeft verklaard dat hij op maandagavond flink wat gerommel en geroep hoorde op de gang. Hij zag dat [aangever] door [medeverdachte] en [verdachte] in een hoek gedreven was. Ze stonden om hem heen. [getuige 1] zag dat [aangever] niet recht overeind stond, maar meer voorover gebogen en deels tegen de muur gedrukt. De andere twee stonden een beetje voor hem. [getuige 1] ging zijn kamer binnen. [aangever] kwam vrijwel direct daarna ook de kamer binnen. Vrij rap daarna zei [aangever] dat hij net volledig was aangerand door die gasten. Hij zei dat hij in zijn ballen werd geknepen en dat ze met zijn vinger in zijn kont aan het porren waren. [aangever] klapte een beetje dicht. [getuige 1] had het idee dat hij niet wist wat hij ermee aan moest. Het duurde even voordat het kwartje was gevallen wat hem was overkomen. Ze zijn toen met een aantal lui aan tafel gaan zitten, waar [getuige 1] de details hoorde. [aangever] gaf aan dat ze ook niet stopten toen hij aangaf dat hij het niet fijn vond. Hoe langer [aangever] daar zat, hoe meer emotie er bij hem loskwam. Hij gaf aan dat hij nu begreep wat het voor meisjes betekent als hen dit overkomt.
[getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat [medeverdachte] en [verdachte] [aangever] insloten in de hoek bij de deur. Achter [getuige 2] gebeurde iets, maar hij heeft niet precies mee gekregen wat. Vervolgens liepen [getuige 2] en [aangever] hun kamer in. [aangever] vertelde dat hij twee keer bij zijn ballen werd gegrepen en dat hij twee keer een vinger in zijn kont kreeg. Daar kwam hij zelf mee. Ze konden merken dat [aangever] van streek was. Hij was heel onrustig. Toen sergeant [getuige 5] op hun kamer kwam, brak [aangever] en hij begon te huilen.
[getuige 3] heeft verklaard dat zij de kamer van [aangever] (de militaire kamer begrijpt: [aangever] ) inliep en zag dat [aangever] een beetje bedroefd en geschokt keek. Hij zei: ‘Er is net zoiets raars gebeurd’ en vertelde vervolgens dat hij gebukt stond in de gang. Vervolgens greep [verdachte] hem van achter. Daarna kwam [medeverdachte] aangelopen die hem van voren in zijn kruis greep. Toen [aangever] dit vertelde, kwam hij een beetje geschokt en in paniek op [getuige 3] over. Het leek alsof hij ieder moment in huilen kon uitbarsten, maar dat niet wilde, omdat er andere bij waren.
[getuige 4] , de buddy van aangever [aangever] , heeft verklaard dat [aangever] na het gesprek met getuige [getuige 3] in de kamer van de dames meer vertelde. Ze hadden door dat hij echt van slag was. [getuige 4] zag dat hij heel erg zoekende was en niet zo goed wist wat er was gebeurd en waarom. Het leek een beetje op paniek in zijn ogen. Zo hadden ze hem nog niet eerder gezien in die weken. [getuige 4] merkte dat hij heel erg bij zichzelf ging zoeken of hij bepaalde signalen had gegeven.
[getuige 5] , instructeur bij de SIVO, heeft verklaard dat hij op maandag rond 21:00 uur op de kamer kwam waar ook [aangever] lag. Toen [getuige 5] vroeg hoe het ging, antwoordde [aangever] dat het niet zo goed ging. Hij gaf aan dat hij aangeraakt was door anderen. [getuige 5] vroeg of [aangever] het serieus bedoelde en zag diens gezicht betrekken. [aangever] werd zichtbaar geëmotioneerd. [getuige 5] kon echt zien dat het hem wat deed. [aangever] vertelde dat hij op de gang in een hoekje was gedrukt en was aangeraakt bij zijn penis en billen en dat de twee die hem hadden aangeraakt, hadden gevraagd of de eerste 24 uur al voorbij waren. De tranen liepen over de wangen van soldaat [aangever] en aan zijn stem kon [getuige 5] horen dat het op dat moment iets met hem deed.
Verdachte heeft verklaard dat hij heeft gevraagd of de 24 uur al voorbij waren. Volgens hem betekent dit dat je na de eerste 24 uur op een kazerne recht hebt op elkaar. Je mag dan meer met elkaar doen. Je mag dan ‘losgaan’.
De beoordeling door de militaire kamer
De militaire kamer merkt op voorhand op dat zij de door de verdediging gevoerde verweren slechts zal bespreken voor zover deze niet reeds worden weerlegd door de bewijsmiddelen en/of haar oordeel omtrent de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen.
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de militaire kamer vast dat verdachte [verdachte] op de billen van aangever [aangever] heeft geslagen, waarbij de vingers van [verdachte] tegen [aangever] ’s anus aanraakten. Verdachte [medeverdachte] greep vervolgens [aangever] ’s penis vast. Daarna pakte verdachte [medeverdachte] of [verdachte] [aangever] ’s billen vast. Hierbij werd zijn anus opnieuw aangeraakt. Tot slot greep verdachte [medeverdachte] nogmaals [aangever] ’s penis vast. Deze aanrakingen vonden plaats over de kleding van aangever [aangever] .
Deze handelingen hebben een onmiskenbaar seksueel karakter, omdat ze gericht waren op de schaamstreek en het geslachtsdeel van aangever [aangever] . De opmerking van verdachte [verdachte] over het verstrijken van de 24 uur draagt in de ogen van de militaire kamer bij aan deze seksuele context.
De militaire kamer is dan ook van oordeel dat deze handelingen strijdig zijn met de sociaal-ethische norm en dus ontuchtig zijn. Dat deze handelingen zouden zijn verricht in het kader van een stoeipartij, pesterijtjes of een ontgroening doet daar niet aan af.
Uit de verklaring van aangever [aangever] blijkt dat deze aanrakingen niet per ongeluk kunnen zijn verricht. Verdachten hebben hem dus opzettelijk aangeraakt. Bovendien schrok [aangever] van de eerste aanraking en deed hij een aantal stappen naar achter. Toen [medeverdachte] hem vroeg of [aangever] het fijn en lekker vond, antwoordde hij ontkennend. Verdachten zijn echter doorgegaan met hun aanrakingen, ook nadat [aangever] probeerde weg te draaien en vervolgens weg te lopen. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat verdachten dus moeten hebben geweten dat [aangever] ’s wil hiertoe ontbrak.
De militaire kamer overweegt verder – wellicht ten overvloede – dat dergelijke aanrakingen niet geoorloofd of geaccepteerd zijn binnen Defensie. Zij hadden bovendien geen enkele relevantie voor de voorbereiding van de oefeningen waar zij zich mee bezig hadden moeten houden, te weten het afstellen van hun tassen en het lezen van het HAMIL, dus de stelling van de verdediging dat hiervoor geen uitdrukkelijke wil verreist was, houdt geen steek. Voor zover stoeipartijtjes, waarbij dit soort aanrakingen, voorkomen wél gebruikelijk zijn bij Defensie, verandert dat niets aan het feit dat [aangever] zijn wil, zowel verbaal als non-verbaal, ondubbelzinnig kenbaar heeft gemaakt.
Verder stelt de militaire kamer vast dat voornoemde handelingen voor [aangever] onverhoeds plaatsvonden, nu hij verdachten in eerste instantie niet heeft gezien, omdat hij met zijn rug naar hen toe stond. Zoals gezegd, heeft [aangever] aangegeven dat hij het niet fijn of lekker vond en hij heeft een aantal stappen achteruit gedaan, 90 graden naar rechts gedraaid en geprobeerd weg te lopen. Verdachten zijn echter voorbij gegaan aan deze verbale en non-verbale signalen van verzet en/of weerstand. [aangever] probeerde weg te lopen, maar dat lukte niet, omdat verdachte [medeverdachte] hem bij zijn linkerschouder en [verdachte] hem bij zijn rechterbovenarm vasthield. Hierdoor werd [aangever] tegen de muur gedrukt en in een hoek gedreven. Naar het oordeel van de militaire kamer is hiermee een bedreigende situatie voor [aangever] ontstaan. De handelingen van verdachten werden dus voorafgegaan, vergezeld van en gevolgd door dwang.
De verdediging heeft aangevoerd dat militaire aanranding eerder moet worden vergeleken met eenvoudige mishandeling. Dit is een onjuiste rechtsopvatting. Voor artikel 140 MSr is slechts de fysieke aantasting van de lichamelijke integriteit relevant. In zoverre is dit artikel een lichtere vorm van feitelijke aanranding dan een mishandeling. Het enkele (ruw) vastpakken van een andere militair kan hiervoor al voldoende zijn (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de militaire kamer van 5 november 1991, MRT 1993, blz. 93, van 10 november 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BG3848, en van 29 april 2009, ECLI:NL:RBARN:2009:BI5954).
Hiermee komt de militaire kamer tot bewezenverklaring van feiten 1 en 2, waarbij volgens de militaire kamer sprake is van eendaadse samenloop.
Ten aanzien van het tenlastegelegde medeplegen overweegt de militaire kamer als volgt. Beide verdachten hebben zowel ontuchtige handelingen verricht als handelingen die dwang opleveren. Dat is voldoende om de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking aan ten nemen, te meer omdat het een situatie van twee op één was en [aangever] werd ingesloten. Bovendien blijkt uit diens verklaring dat verdachten met elkaar hebben gesproken over het incident terwijl dat gaande was. Verdachte [verdachte] heeft tot slot bevestigd dat hij inderdaad heeft gesproken over de 24-uursregel.
De militaire kamer acht daarom voor beide feiten ook bewezen dat sprake was van medeplegen.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.