1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 2 augustus 2023 te Helvoirt, gemeente Vughtter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1]opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) die [slachtoffer 1] bij de armen en/of het hoofd en/of de nek, althans het lichaam heeft (vast)gepakt en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] heeft opgetild en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] in de lucht en/of op de grond heeft gegooid en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) die [slachtoffer 1] in/op/tegen de lever/buik, althans het lichaam heeft geslagen/gestompt en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) hairextensions en/of haren uit het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft getrokken en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) die [slachtoffer 1] in/op/tegen het hoofd heeft geslagen/gestompt (ten gevolge waarvan zij meerdere malen, althans eenmaal het bewustzijn heeft verloren) en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) die [slachtoffer 1] over de grond heeft getrokken en/of heeft gesleurd en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) die [slachtoffer 1] heeft geknepen en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) de benen van die [slachtoffer 1] in een klem heeft gehad/gezet,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 2 augustus 2023 te Helvoirt, gemeente Vught zijn levensgezel, [slachtoffer 1] ,heeft mishandeld door:- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) die [slachtoffer 1] bij de armen en/of het hoofd en/of de nek, althans het lichaam (vast) te pakken en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] op te tillen en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] in de lucht en/of op de grond te gooien en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) die [slachtoffer 1] in/op/tegen de lever/buik, althans het lichaam te slaan/stompen en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) hairextensions en/of haren uit het hoofd van die [slachtoffer 1] te trekken en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) die [slachtoffer 1] in/op/tegen het hoofd te slaan/stompen (ten gevolge waarvan zij meerdere malen, althans eenmaal het bewustzijn heeft verloren) en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) die [slachtoffer 1] over de grond te trekken en/of te sleuren en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) die [slachtoffer 1] te knijpen en/of- meerdere malen, althans eenmaal (met kracht) de benen van die [slachtoffer 1] in een klem te hebben en/of te zetten;2.hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 2 augustus 2023 te Helvoirt, gemeente Vughtopzettelijk[slachtoffer 1]wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door:- die [slachtoffer 1] in een (slaap)kamer van een woning aan [adres] in Helvoirt te houden en/of (vervolgens) de deur(en) van die woning te vergrendelen en/of af te sluiten en/of- die [slachtoffer 1] te beletten dat zij gebruik kon maken van haar telefoon en/of- meerdere malen, althans eenmaal die [slachtoffer 1] te slaan en/of te stompen en/of te knijpen en/of over de grond te trekken en/of de benen in een klem te houden, indien zij een beweging in de richting van de deur maakte en/of indien zij probeerde weg te komen, in elk geval [slachtoffer 1] (telkens) te beletten te gaan waarheen zij zich wilde begeven door gebruik te maken van fysiek geweld;3.hij op of omstreeks 2 augustus 2023 te Helvoirt, gemeente Vught opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;4.hij op of omstreeks 10 augustus 2023 te Weert in de gemeente Weert, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van de A2, gaande in de richting van de Geuzendijk, daarmede rijdende over de weg de Maarheezerhuttendijk enroekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,terwijl deze weg een zeer smalle weg betreft en/ofterwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of gehinderd, en/ofterwijl een toen aldaar (in dezelfde richting) rijdende fietser zeer dicht was genaderd,niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor, naast en/of achter hem gelegen gedeelte van die weg (de Maarheezerhuttendijk) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/ofheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van ongeveer (tenminste) 119 kilometer per uur en/of(vervolgens) heeft geaccelereerd naar een snelheid van ongeveer (tenminste) 122 kilometer per uur, terwijl hij, verdachte, een 60 kilometer-zone naderde en/of heeft genaderd, in elk geval heeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, althans 80 kilometer per uur en/ofin strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde voertuig (tijdig) tot stilstand te brengen, toen deze fietser naar links wilde afslaan richting de Werkmansweg en/ofbij het naderen en/of inhalen van die fietser (gezien de rijrichting van verdachte) onvoldoende afstand heeft gehouden en/ofis gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurder van dat die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen,terwijl hij op dat moment verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid en/of tweede lid en/of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994,en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) werd gedood;subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 augustus 2023 te Weert in de gemeente Weert, als bestuurder van een voertuig (personenauto), komende uit de richting van de A2, gaande in de richting van de Geuzendijk, daarmede rijdende over de weg de Maarheezerhuttendijk,terwijl deze weg een zeer smalle weg betreft en/ofterwijl het zicht van verdachte ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt of gehinderd en/ofterwijl een toen aldaar (in dezelfde richting) rijdende fietser zeer dicht was genaderd,niet, althans in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor, naast en/of achter hem gelegen gedeelte van die weg (de Maarheezerhuttendijk) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/ofheeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, namelijk met een snelheid van ongeveer (tenminste) 119 kilometer per uur en/of(vervolgens) heeft geaccelereerd naar een snelheid van ongeveer (tenminste) 122 kilometer per uur, terwijl hij, verdachte, een 60 kilometer-zone naderde en/of heeft genaderd, in elk geval heeft gereden met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan de ter plaatse voor dat voertuig toegestane maximumsnelheid van 60 kilometer per uur, althans 80 kilometer per uur,in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers was hij niet in staat het door hem bestuurde voertuig (tijdig) tot stilstand te brengen, toen deze fietser naar links wilde afslaan richting de Werkmansweg en/ofbij het naderen en/of inhalen van die fietser (gezien de rijrichting van verdachte) onvoldoende afstand heeft gehouden en/ofis gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die fiets en/of de bestuurder van dat die fiets, ten gevolge waarvan die bestuurder van die fiets ten val is gekomen,terwijl hij op dat moment verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid en/of tweede lid en/of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994,door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;5.hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Weert op/aan de Maarheezerhuttendijk, op of omstreeks 10 augustus 2023de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer 2] ) aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten en/of is gedood;6.hij op of omstreeks 10 augustus 2023 te Weert, in elk geval in Nederland,een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer aangewezen stof(fen) als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en/of alcohol,terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de genoemde Wet, het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol34 microgram amfetamine per liter bloed en/of 1,09 milligram ethanol per milliliter bloed bedroeg,in elk geval (telkens) een hoger gehalte dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stof en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Feitencomplex 2 augustus 2023
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft met betrekking tot feit 1 bepleit dat het procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte aangeefster opzettelijk heeft mishandeld. Verdachte wilde haar enkel tegen zichzelf beschermen. Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet de intentie had om aangeefster van haar vrijheid te beroven. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de militaire kamer.
Beoordeling door de militaire kamer
De betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen
Zowel verdachte als aangeefster [slachtoffer 1] (hierna: aangeefster) hebben verklaard over de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Hun verklaringen staan op essentiële punten lijnrecht tegenover elkaar. Zij verklaren echter allebei dat zij onder invloed waren van verdovende middelen en/of alcohol. Verder heeft verdachte op 8 augustus 2023 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij daardoor niet helder was. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte en zij de nachten voor het tenlastegelegde niet hebben geslapen.
De militaire kamer overweegt dat de staat waarin zowel verdachte als aangeefster verkeerden het ingewikkeld maakt om vast te stellen wat er daadwerkelijk is gebeurd. Daarom zal de militaire kamer alleen die onderdelen van hun verklaringen voor het bewijs gebruiken die ondersteuning vinden in andere – objectieve – bewijsmiddelen.
De bewijsmiddelen
Op 2 augustus 2023 heeft een forensisch arts aangeefster onderzocht en geconstateerd dat zij verschillende bloeduitstortingen had. Zo had zij een roodbruine huidverkleuring onder het rechteroog en op de wang onder het oog, verschillende roodpaarse en rode huidverkleuringen langs een traject van ongeveer negen centimeter op haar rechterkaaklijn, een lichtrode huidverkleuring in de hals rechts, een verzameling rode huidverkleuringen over een traject van ongeveer acht centimeter onder de linker kaaklijn, een kleine huidverkleuring bij de linker heup, vijf ovaalronde huidverkleuringen, in een rij gerangschikt, op haar rechterbovenarm, een huidverkleuring op het rechterellebooggewricht en verschillende kleinere huidverkleuringen onder, naast en boven het gewricht, verschillende kleine, ronde huidverkleuringen op de rechterpols, roodgele huidverkleuringen op de handrug bij een aantal knokkels, een rode huidverkleuring op de linker bovenarm, een cluster van kleine, ronde huidverkleuringen op de linker bovenarm, verschillende huidverkleuringen onder en boven de linker elleboog, een vlekkige, rode huidverkleuring onder de linkerborst, verschillende kleine huidverkleuringen op de buik, een grote, roodroze huidverkleuring in de linker lies, verschillende kleine roodbruine huidverkleuringen op het linker bovenbeen, verschillende kleine, rood roze huidverkleuringen bij de linkerknie, verschillende ovaalronde huidverkleuringen op het scheenbeen, een kleine, ronde huidverkleuring op de linkerenkel, een grotere huidverkleuring op de linker voetrug, huidverkleuringen op de linkervoet, meerdere huidverkleuringen op het rechterbeen, waarvan twee ovaalrond, verschillende kleinere huidverkleuringen op de rechtervoet, een ovaalronde huidverkleuring op de rechterheup. Verder had zij meerdere ondiepe kraswonden op haar rug en linker onderarm en een schaafwond op haar linker onderbeen en linker voet. De verwondingen passen bij letsel door stomp, botsend geweld op het lichaam. Op meerdere plekken zijn vier of vijf ovaalronde hematomen op een rij te zien, passend bij vuistslagen.
Aangeefster heeft op 2 augustus 2023 verklaard dat verdachte haar vriend is, met wie zij twaalf jaar samen is, en dat hij dit die nacht (de militaire kamer begrijpt: op 2 augustus 2023) allemaal had gedaan. Daarbij wees zij naar haar blauwe plekken. Hij pakte haar bij haar armen. Hij pakte haar hoofd vast. Zij heeft veel pijn aan de zijkant van haar hoofd, omdat hij haar met zijn handen vastpakte. Hij heeft haar ook bij haar keel vastgepakt. Hij heeft haar een flinke klap in haar lever gegeven. Daar heeft hij veel stoten gegeven. Hij heeft haar geslagen, geknepen, over de grond getrokken en hij heeft haar benen een paar keer in een klem gehad. Dat deed heel veel pijn. Hij heeft bijna alles bij haar geraakt. Hij heeft haar meerdere klappen op het hoofd gegeven.
Verdachte heeft verklaard dat aangeefster bij hem in zijn woning in Helvoirt woonde. Hij heeft haar op bed geduwd. Hij pakte haar van achteren vast bij haar nek, bij haar keel en bij haar gezicht. Waarschijnlijk heeft hij ook een paar tikken uitgedeeld. Het kan zomaar zijn dat hij haar een klap in of ter hoogte van haar lever heeft gegeven. Verdachte heeft haar ook geklemd.
Bewijsmotivering ten aanzien van feit 1
Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster tegen zichzelf wilde beschermen, omdat zij uit het raam wil springen en zij suïcidaal zou zijn.
Gelet op de aard van het bij aangeefster aangetroffen letsel, te weten op meerdere plekken op haar lichaam vier of vijf ovaalronde hematomen op een rij die passen bij vuistslagen, en de veelvuldigheid daarvan, is de militaire kamer van oordeel dat het letsel van aangeefster onvoldoende wordt verklaard door een enkele poging om aangeefster te beletten uit het raam te springen door haar op bed te gooien en haar vast te houden. Verder acht de militaire kamer gelet op de letselrapportage de verklaring van verdachte dat zijn geweld beperkt zou zijn gebleven tot een enkele tik met de vlakke hand ongeloofwaardig.
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is de militaire kamer van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte aangeefster op 2 augustus 2023 te Helvoirt meerdere malen met kracht bij de armen en het hoofd, althans het lichaam vast heeft gepakt, haar meerdere malen met kracht op of tegen het lichaam en het hoofd heeft geslagen of gestompt en haar benen met kracht in een klem heeft gehad of gezet.
Het procesdossier bevat geen objectieve informatie over de kracht van het door verdachte gebruikte geweld. Verder is het letselbeeld niet zodanig dat op basis daarvan kan worden gezegd dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De militaire kamer zal
verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde. De subsidiair tenlastegelegde mishandeling is wettig en overtuigend bewezen. Het procesdossier bevat onvoldoende bewijs voor de overige in de tenlastelegging genoemde handelingen. De militaire kamer zal verdachte hiervan vrijspreken.
Verdachte heeft verklaard dat zijn relatie met aangeefster was verbroken. Hij woonde echter nog wel met haar samen. Aangeefster heeft verklaard dat zij is mishandeld door haar vriend met wie zij al twaalf jaar samen was. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2
Aangeefster heeft verder verklaard dat verdachte haar van haar vrijheid heeft beroofd. Verdachte ontkent dit met klem. Het procesdossier bevat verder slechts een WhatsApp-gesprek over een eerder incident waarbij verdachte aangeefster eveneens tegen haar wil zou hebben vastgehouden. Verder wordt in het verhoor van aangeefster bij de rechter-commissaris gerefereerd aan een voicemailbericht dat aangeefster zou hebben ingesproken en waaruit zou blijken dat verdachte aangeefster de mogelijkheid heeft geboden om de woning te verlaten. Dit voicemailbericht is niet door de politie uitgewerkt in een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal. Overig bewijs ontbreekt.
In het licht dat geen uitsluitsel kan worden gegeven over de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen op dit punt en verder overtuigend bewijs ontbreekt, is de militaire kamer van oordeel dat er onvoldoende bewijs is ten aanzien van dit feit. De militaire kamer zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2 tenlastegelegde.
Bekennende verklaring ten aanzien van feit 3
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering. Voorts hebben de raadslieden geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 76 en 79;
- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, p. 97;
- een schriftelijk bescheid, te weten het NFI-rapport, opgemaakt door ing. [naam] op 10 augustus 2023, p. 100;
- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 december 2023.
Feitencomplex 10 augustus 2023
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 4 primair, feit 5 en feit 6.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van feit 4 primair bepleit dat geen sprake is van meer dan ‘normale’ onvoorzichtigheid, omdat verdachte niet bedacht had hoeven zijn op overstekende fietsers, het slachtoffer hem voorrang had moeten verlenen en de precieze snelheid waarmee verdachte heeft gereden niet kan worden vastgesteld. Ten aanzien van het onder feit 4 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de militaire kamer.
Met betrekking tot feit 5 heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte de plaats van het ongeval niet heeft verlaten om civielrechtelijke afwikkeling van het ongeval onmogelijk te maken, maar om zichzelf van het leven te beroven. Ten slotte heeft de verdediging zich ten aanzien van feit 6 gerefereerd aan het oordeel van de militaire kamer, met dien verstande dat een deskundige heeft geconcludeerd dat de concentratie amfetamine die in het bloed van verdachte is aangetroffen, past bij de dosering van lisdexamfetamine die hem in verband met zijn ADHD door een arts is voorgeschreven.
Beoordeling door de militaire kamer
De bewijsmiddelen
Op 10 augustus 2023 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een zwarte personenauto (merk Volkswagen), bestuurd door verdachte, en een fietser, te weten [slachtoffer 2] (hierna: het slachtoffer). Verdachte kwam uit de richting van de Rijksweg A2 en reed in de richting van de Geuzendijk. De aanrijding vond plaats op de kruising van de Maarheezerhuttendijk met de Werkmansweg te Weert. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van tachtig kilometer per uur, die kort voor de kruising wordt verlaagd naar zestig kilometer per uur. De Maarheezerhuttendijk is in totaal ongeveer 5,1 meter breed, inclusief de aan weerszijden aangebrachte betonnen rammelstrook met een breedte van ongeveer 0,6 meter. De rijbaan van de Maarheezerhuttendijk is niet door middel van een belijning verdeeld in rijstroken en is bestemd voor verkeer komende uit beide rijrichtingen. Op het wegdek zijn aan weerszijden onderbroken kantstrepen aangebracht. Ter hoogte van de plaats van het ongeval ligt rechts naast de rijbaan van de Maarheezerhuttendijk een grasberm. Deze grasberm heeft een breedte van ongeveer 3 meter. Aan deze grasberm grenst een onverhard (onverplicht) fietspad met een breedte van ongeveer 0,6 meter. Dit fietspad is bestemd voor fietsers komende uit beide rijrichtingen. Aan dit fietspad grenst een berm overgaand op een bosperceel. Kort voor het kruisingsvlak loopt in de grasberm vanaf dit fietspad een boogvormig pad richting de rijbaan van de Maarheezerhuttendijk. Het zicht op het wegverloop en de weginrichting van de Maarheezerhuttendijk, het kruisingsvlak en de aanwezigheid van eventuele andere weggebruikers was vanuit de rijrichting van verdachte niet beperkt. De eerste aftekening van een smal bandenspoor, te weten een wring-/schuifspoor, werd aangetroffen op een afstand van ongeveer 1,3 meter vanaf de rechterrijbaankant, inclusief betonnen rammelstrook.
Verdachte is hierbij de plaats van het ongeval over een traject van 1.650 meter genaderd met een gemiddelde indicatieve snelheid van ongeveer 119 kilometer per uur. Eén seconde voor de aanrijding reed hij met een indicatieve snelheid van ongeveer 122 kilometer per uur. Deze snelheden zijn berekend op basis van de data van de navigatie-app (gps-locaties) van verdachtes telefoon die na het ongeval nog geactiveerd was.
Verdachte is met de rechtervoorzijde van zijn voertuig frontaal tegen de linkerachterflank van de fiets van het slachtoffer gebotst. Het slachtoffer kwam op de motorkap, de voorruit en het dak terecht. Vervolgens werd het slachtoffer met zijn fiets gelanceerd richting het bosperceel rechts naast de rijbaan. Hierbij kwam het slachtoffer vermoedelijk in aanraking met een bermpaal, die hierdoor afbrak. De fiets van het slachtoffer eindigde op een afstand van ongeveer 27 meter voorbij de plaats van de eerste sporen van de aanrijding in een boom op 1,6 meter hoogte. Het slachtoffer zelf lag op ongeveer 35 meter voorbij de plaats van de eerste sporen van de aanrijding.
Volgens de verkeersongevallenanalyse is de aanrijding ontstaan doordat verdachte met een fors hogere snelheid heeft gereden dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid. Ook heeft hij onvoldoende aandacht gehad voor het wegvlak vóór hem. Hij had het ongeval kunnen voorkomen als hij minder hard had gereden en eerder had geanticipeerd op de aanwezigheid van het slachtoffer. Verdachte had het slachtoffer kunnen en moeten waarnemen.
Uit het schouwverslag blijkt dat het slachtoffer op 10 augustus 2023 om 16:30 uur is overleden ten gevolge van de aanrijding.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat de zwarte auto die hen kort daarvoor had ingehaald stilstond op de weg, midden op de rijbaan, op ongeveer vijftig meter vanaf de kruising met de Werkmansweg. Vanuit de rechterberm liep een persoon met versnelde pas naar de auto en stapte in. De bestuurder reed meteen vol gas rechtdoor in de richting van Weert. De getuige zag dat er rechts in de berm een persoon op zijn rechterzij lag.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat de Volkswagen op de weg stilstond. Een groot stuk van de voorruit was versplinterd. Er liep een man vanuit de greppel rechts van de weg richting de auto. Hij stapte aan de bestuurderskant in en reed vol gas weg.
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij zag dat de zwarte Volkswagen stilstond bij de T-splitsing. Hij zag een man aan de rechterkant in de bosjes staan. Er lag nog een man op de grond. De bestuurder schrok toen de vader van de getuige toeterde. De man rende terug naar de Volkswagen en stapte in. Daarna reed hij heel hard weg terwijl zijn deur nog half open stond.
Verdachte heeft verklaard dat hij op de dag van het incident naar de Militaire Geestelijke Gezondheidszorg (MGGZ)is gegaan. Tegen de middag heeft hij alcohol gedronken. Daarna had hij een afspraak met een vriend van hem die in België woont. Hij was in de auto onderweg naar die afspraak. Verdachte was ter plaatse niet bekend. Verdachte heeft het slachtoffer niet gezien. Het slachtoffer vloog ineens rechts over zijn motorkap. Hij is uitgestapt, maar toen hij de blik in de ogen van het slachtoffer zag, schrok hij zo erg dat hij weer in zijn auto is gestapt.
Hij zag namelijk geen respons in de ogen van het slachtoffer. Hij heeft verder niets met het slachtoffer gedaan. Vervolgens is hij zo hard mogelijk tegen een boom gereden om zichzelf van het leven te beroven. Verdachte slikt lisdexamfetamine. Hij had die ochtend zijn medicatie ingenomen.
In het bloed van verdachte is 1,09 milligram alcohol per milliliter bloed aangetroffen en 34 microgram amfetamine per liter bloed. Verdachte is op doktersrecept eenmaal daags een tablet van 50 mg lisdexamfetamine (Elvanse) voorgeschreven. De aangetroffen concentratie amfetamine kan hierbij passen. Verdachte wist dat hij niet mocht rijden bij gebruik van zowel zijn medicatie als alcohol.
Verdachte heeft op 10 augustus 2023 om 13:05 uur het volgende WhatsApp-bericht ontvangen van [naam] : ‘Ik ga nu even vlees halen en doen we bbq’. [naam] heeft verklaard dat hij die ochtend met verdachte had afgesproken dat verdachte naar hem zou komen.
Bewijsmotivering ten aanzien van de feiten 4 en 6
Op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de militaire kamer het volgende vast. Verdachte reed op 10 augustus 2023 te Weert in zijn auto over de Maarheezerhuttendijk, komende uit de richting van de A2 en gaande in de richting van de Geuzendijk. Dit betreft een zeer smalle weg, immers de weg was slechts 5,1 meter breed inclusief de rammelstroken van samen opgeteld 1,2 meter en bovendien voorzien van stroken met onderbroken strepen aan de zijkanten en zonder een middenstreep, alles bedoeld om de snelheid te matigen. Verdachte was het slachtoffer zeer dicht genaderd. Verdachte heeft onvoldoende gelet op het direct vóór hem gelegen gedeelte van de weg en het zich daarop bevindende verkeer, want hoewel zijn zicht niet werd belemmerd, heeft hij het slachtoffer niet gezien. Bij het naderen van het slachtoffer heeft hij onvoldoende afstand gehouden van het slachtoffer en is hij in aanrijding gekomen met de fiets en het slachtoffer, die de fiets bestuurde. Hierdoor is het slachtoffer ten val gekomen en als gevolg van de aanrijding overleden.
Verder heeft verdachte ongeveer 119 kilometer per uur gereden waar een snelheid van 80 kilometer per uur was toegestaan en heeft hij kort voor de aanrijding ongeveer 122 kilometer per uur gereden waar een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur gold. Deze snelheden zijn berekend op basis van de data uit de nog actieve navigatie-app. Daarmee heeft hij met een aanzienlijk hogere snelheid gereden dan toegestaan. De militaire kamer ziet geen reden om aan deze in de verkeersongevallenanalyse vastgestelde gemiddelde snelheden te twijfelen.
Tot slot is in het bloed van verdachte 34 microgram amfetamine per liter bloed aangetroffen. Deze concentratie is te verklaren door de medicatie die verdachte voorgeschreven kreeg. Bij enkel gebruik van deze medicatie zou verdachte dan ook geen strafrechtelijk verwijt kunnen worden gemaakt. In het bloed van verdachte is echter ook 1,09 milligram alcohol per milliliter bloed aangetroffen.
Verdachte is dus gaan rijden terwijl hij zowel alcohol als de hem voorgeschreven amfetamine had gebruikt. Hierbij zijn de grenswaarden voor gecombineerd gebruik van deze stoffen overschreden. Dat maakt dat verdachte wel degelijk een strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, óók als het gaat om de (lisdex)amfetamine. Gecombineerd gebruik van amfetaminen met alcohol leidt volgens het deskundigenrapport immers tot minimaal een vijf keer hoger risico op ongevallen ten opzichte van rijden zonder rijgevaarlijke stoffen. Uit informatie van de apotheek blijkt dat op het etiket van de medicatie staat vermeld dat deze het reactievermogen kan beïnvloeden en dat moet worden opgepast met het gebruik van alcohol. Verdachte heeft verklaard dat hij hier ook van op de hoogte was. De militaire kamer is dan ook van oordeel dat verdachte verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede en vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW).
Naar het oordeel van de militaire kamer zijn daarom alle ten laste gelegde gedragingen, met uitzondering van het overtreden van artikel 19 van het Regelement Verkeersregels en Verkeerstekens, dat niet voor verkeersongevallen als het onderhavige is geschreven, wettig en overtuigend bewezen. De militaire kamer is van oordeel dat het ongeval, gelet op deze gedragingen, aan de schuld van verdachte is te wijten in de zin van artikel 6 WVW.
Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat het naast de rijbaan gelegen fietspad onverplicht is. De stelling van de verdediging dat verdachte geen fietsers hoefde te verwachten op de rijbaan, vindt dus geen steun in het procesdossier. De verkeersongevallenanalyse biedt naar het oordeel van de militaire kamer vervolgens onvoldoende grondslag om aan te nemen dat het slachtoffer linksaf wilde slaan of op het onverharde en onverplichte fietspad reed en onverwachts wilde oversteken. Voor zover de verdediging hier een beroep op heeft willen doen, is van enige mate van eigen schuld doordat het slachtoffer geen voorrang zou hebben verleend naar het oordeel van de militaire kamer niet gebleken.
De vraag die de militaire kamer vervolgens moet beantwoorden is of deze schuld is aan te merken als roekeloosheid als bedoeld in artikel 6 WVW in samenhang met artikel 175, tweede lid, WVW, zoals primair ten laste is gelegd. Roekeloosheid is de zwaarste gradatie van schuld. Hiervan is sprake wanneer zodanige feiten en omstandigheden worden vastgesteld dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedragingen van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en dat de verdachte zich hiervan bewust was of had moeten zijn.
Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid, WVW kan worden aangemerkt.
De militaire kamer moet daarmee beoordelen of verdachte met de hiervoor vastgestelde verkeersgedragingen, die hebben geleid tot het ongeval, (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. de verkeersregels
De militaire kamer stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 5a WVW (niet limitatief) genoemde gedraging, te weten het overschrijden van de krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid (lid 1 sub g) doordat hij (bijna) het dubbele van de toegestane maximumsnelheid heeft gereden, nota bene onder invloed van alcohol en amfetamine, waarbij het alcoholgehalte hoger was dan de grenswaarde van 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bij gecombineerd gebruik, namelijk 1,09 milligram alcohol per milliliter bloed, en het gehalte aan amfetamine hoger was dan de grenswaarde van 25 microgram amfetamine per liter bloed bij gecombineerd gebruik, namelijk 34 microgram amfetamine per liter bloed (lid 2).
b) ernstige mate
Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen. Verdachte heeft meerdere voor de verkeersveiligheid zeer belangrijke verkeersregels geschonden. Verdachte reed fors te hard op een zeer smalle weg. Vlak vóór het ongeval reed hij zelfs meer dan twee keer te hard, namelijk gemiddeld 122 kilometer per uur in een 60 kilometer-zone op een zeer smalle weg waar hij niet bekend was. Bovendien heeft verdachte blijkens de Verkeersongevallenanalyse ook langdurig veel te hard gereden. Hij heeft niet, althans onvoldoende, gelet op de weg en het verkeer vlak voor hem. Hij is het slachtoffer zeer dicht genaderd, waarbij hij onvoldoende afstand heeft gehouden. Hierdoor heeft hij een aanrijding met het slachtoffer veroorzaakt. Daarbij was verdachte onder invloed van zowel alcohol als amfetamine, waarbij hij onder invloed was van meer dan vijf keer zoveel alcohol als toegestaan bij gecombineerd gebruik. Dit terwijl verdachte wist dat het gebruik van alcohol in combinatie met zijn voorgeschreven medicatie een negatieve invloed heeft op zijn rijvaardigheid. Dit gedrag, onder die omstandigheden, moet naar het oordeel van de militaire kamer worden aangemerkt als ernstig verkeersgevaarlijk gedrag.
c) opzettelijk
Voor een overtreding van artikel 5a WVW moet het opzet van de verdachte zowel gericht zijn op het schenden van de verkeersregels als op het in ernstige mate schenden van die regels (zeer onverantwoord rijgedrag). Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.
De militaire kamer overweegt dat verdachte in één rit meerdere belangrijke verkeersregels heeft overtreden, waardoor een zeer gevaarlijke situatie is ontstaan. Hiermee heeft verdachte onaanvaardbare risico’s genomen, die zich ook hebben verwezenlijkt. Verdachte heeft zijn voorgeschreven medicatie ingenomen en ’s middags alcohol gedronken, terwijl hij wist dat dit een negatieve invloed had op zijn rijvaardigheid. Vervolgens is hij in de auto gestapt. Verdachte heeft over een groot traject aanzienlijk te hard gereden op een zeer smalle weg waar hij niet bekend was. Zo reed hij gemiddeld 119 kilometer per uur waar 80 was toegestaan en versnelde hij vlak voor de aanrijding nog eens naar gemiddeld 122 kilometer, terwijl hij op dat moment in een 60 kilometer-zone reed. Verdachte heeft niet, althans onvoldoende, gelet op de weg en het verkeer vlak voor hem. Hij is het slachtoffer zeer dicht genaderd, waarbij hij onvoldoende afstand heeft gehouden. Deze gedragingen, in samenhang bezien, waren naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op de opzettelijke, ernstige schending van de verkeersregels.
d) gevaar voor zwaar lichamelijk letsel/het leven van anderen
De militaire kamer is van oordeel dat in zijn algemeenheid voorzienbaar is dat een zeer gevaarlijke situatie ontstaat wanneer een bestuurder het hiervoor beschreven verkeersgedrag vertoont. Daarmee was door het handelen van verdachte gevaar te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen. Dit gevaar heeft zich daadwerkelijk gerealiseerd.
Het voorgaande betekent dat het verkeersgedrag van de verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, ook kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval waarbij sprake is van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid.
De militaire kamer komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 4 primair tenlastegelegde. Gelet op de tenlastelegging van feit 4 vloeit hieruit voort dat de militaire kamer feit 6 ook wettig en overtuigend bewezen acht.
Bewijsmotivering ten aanzien van feit 5
Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte na het veroorzaken van voornoemd verkeersongeval de plaats van het ongeval heeft verlaten. Blijkens zijn eigen verklaring is verdachte uit zijn auto gestapt, maar toen hij de blik in de ogen van het slachtoffer zag, schrok hij zó dat hij weer in is gestapt om zichzelf van het leven te beroven. Vervolgens is verdachte met zijn auto tegen een boom aangereden.
De verdediging heeft betoogd dat artikel 7 WVW ertoe strekt civielrechtelijke afwikkeling van een verkeersongeval mogelijk te maken. De militaire kamer overweegt dat dit één van de belangen is die dit artikel beschermt. Daarnaast beoogt deze bepaling ook de verkeersveiligheid, het leven en de lichamelijk integriteit van verkeersdeelnemers te beschermen.
De militaire kamer overweegt dat verdachte niet bij het slachtoffer is gebleven om eerste hulp te verlenen, maar in de auto is gestapt om zichzelf van het leven te beroven. Daarmee heeft hij het slachtoffer in hulpeloze toestand achtergelaten. Verdachte wist dit ook, want hij had gezien dat er geen respons meer was in de ogen van het slachtoffer. Naar het oordeel van de militaire kamer heeft verdachte daarmee de plaats van het ongeval verlaten. Dat hij niet de intentie had om civielrechtelijke afwikkeling te voorkomen, maar zichzelf van het leven wilde beroven, doet daar niet aan af. De militaire kamer komt dan ook tot bewezenverklaring van dit feit.
Conclusie
De militaire kamer acht de feiten 1 subsidiair, 3, 4 primair, 5 en 6 bewezen volgens de bewezenverklaring hieronder. Verdachte zal worden vrijgesproken van de feiten 1 primair en 2.