ECLI:NL:RBAMS:2026:8009
Rechtbank Amsterdam
- Uitspraak
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 13/303217-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft in het vonnis in de onderliggende strafzaak bewezen verklaard dat veroordeelde in de periode van 18 januari 2020 tot en met 6 maart 2021 een geldbedrag met een totale waarde van € 2.913.945,- heeft witgewassen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier en het behandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat veroordeelde bij de geldoverdrachten een gemiddelde commissie van 4,5% heeft verdiend. Dat maakt dat de rechtbank aansluiting zal zoeken bij de ondergrens van de commissies om geld te verplaatsen, die volgens het kennisdocument ‘Crimineel ondergronds bankieren’, tussen de 2% en 10% ligt. Die ondergrens ligt weliswaar iets hoger dan het percentage dat veroordeelde heeft genoemd, maar nu veroordeelde weinig specifiek over zijn verdiensten heeft verklaard, er in de chats over hogere percentages wordt gesproken en veroordeelde blijkens de inhoud van de chats een coördinerende rol vervulde bij de totstandkoming van de geldoverdrachten, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat veroordeelde tenminste voornoemde ondergrens aan commissie heeft verdiend. De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 58.278,90.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.