[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres],
Raadsman mr. E.B. Jobse.
in het bijzonder het bevel gevangenhouding met gelijktijdige schorsing daarvan op 10 juni 2026 met de daarin vermelde voorwaarden. Eén van de voorwaarden is dat de borgsom ter hoogte van
€ 1.500,- blijft gelden als zekerheidstelling voor de nakoming van de overige schorsingsvoorwaarden. De gevangenhouding is bevolen op grond van artikel 27, tweede lid, van de Overleveringswet (OLW).
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet is verschenen bij de uitspraak inzake het overleveringsverzoek op 24 juni 2026. Alvorens uitspraak te doen, heeft de voorzitter daarom de schorsing van de gevangenhouding opgeheven op grond van artikel 64, tweede lid, OLW jo. artikel 82, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv).
De officier van justitie heeft op 9 juli 2026 gevorderd dat de rechtbank zal beslissen dat de borgstelling van € 1.500,- komt te vervallen aan de Staat, omdat de opgeëiste persoon zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden.
Desgevraagd heeft de raadsman van de opgeëiste persoon, mr. E.B. Jobse, advocaat in Rotterdam, zich schriftelijk gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, aangezien hij enkel kan verzoeken om teruggave van de borgsom en, naar de rechtbank begrijpt, niet over informatie beschikt aangaande de reden waarom de opgeëiste persoon in strijd met de schorsingsvoorwaarden niet op de uitspraak is verschenen.
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon zich niet gehouden heeft aan de in het bevel gevangenhouding onder gelijktijdige schorsing onder 2 vermelde voorwaarde, te weten:
2. de opgeëiste persoon zal zonder nadere oproeping verschijnen op de uitspraak van deze rechtbank op het overleveringsverzoek;
In artikel 83, vierde lid, Sv, eerste zin (dat op grond van artikel 64, tweede lid, OLW van overeenkomstige toepassing is verklaard in de overleveringsprocedure) is bepaald dat als de verdachte (de opgeëiste persoon) zich na de opheffing van de schorsing aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis (in casu: de gevangenhouding) onttrekt, de zekerheid (borgsom) vervallen wordt verklaard aan de Staat voor zover dit nog niet is gebeurd.
Voor een vervallenverklaring van de borgsom op grond van artikel 64, tweede lid, OLW jo. artikel 83, vierde lid, Sv moet de rechtbank dus vaststellen dat de opgeëiste persoon zich ná de opheffing van de schorsing van het bevel gevangenhouding heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de gevangenhouding.
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon na de inhoudelijke behandeling van de overleveringszaak is aangezegd om op de uitspraak van 24 juni 2026 te verschijnen. Hem is toen ook meegedeeld dat de schorsing duurde tot de uitspraak. Hij moest er dus rekening mee houden dat hij, als de overlevering zou worden toegestaan, meteen gedetineerd zou worden.
De raadsman heeft desgevraagd geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de opgeëiste persoon verhinderden om bij de uitspraak aanwezig te zijn, dan wel zich naderhand alsnog te melden. De officier van justitie heeft verder meegedeeld dat de opgeëiste persoon zich, naar de rechtbank begrijpt, na opheffing van de schorsing niet alsnog heeft gemeld.
Deze omstandigheden in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon zich na de opheffing van de schorsing aan de tenuitvoerlegging van het bevel gevangenhouding heeft onttrokken.
De rechtbank zal daarom op grond van artikel 64, tweede lid, OLW jo. artikel 83, vierde lid, Sv de borgsom vervallen verklaren.