ECLI:NL:PHR:2026:727
Parket bij de Hoge Raad
- Uitspraak
- 24 maart 2026
- Zaaknummer
- bijlage 26/00575 PJV
- Rechtsgebied
- Strafrecht
Inhoudsindicatie
Ontvankelijkheidsbeoordeling bij ECLI:NL:PHR:2026:604
Uitspraak
1 Inleiding
1.1
De rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 20 februari 2026 (parketnr. 01.008324.26) de beslissing op de schriftelijke vordering van de officier van justitie van 9 januari 2026 strekkende tot het verkrijgen van een machtiging voor onderzoek van gegevens in een elektronische gegevensdrager en/of geautomatiseerd werk (hierna: Landeck-vordering) aangehouden en een viertal rechtsvragen aan de Hoge Raad voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. Ook geeft de rechter-commissaris in deze beschikking de Hoge Raad in overweging om een tweetal specifiek genoemde verbanden als derden in de gelegenheid te stellen om opmerkingen te maken.
1.2
Op grond van het bepaalde in art. 554 lid 1 Sv en art. 4.4.5.1 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden (verder: Procesreglement) heeft de Hoge Raad de Procureur-Generaal in de gelegenheid gesteld om te beoordelen of de prejudiciële vragen zich lenen voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing en of de vragen van voldoende gewicht zijn om beantwoording te rechtvaardigen.
1.3
Voordat ik toekom aan deze ontvankelijkheidsbeoordeling merk ik op dat de rechter-commissaris bij schrijven van 20 januari 2026 aan de officier van justitie en de raadsman van de verdachte, mr. Saris, het voornemen kenbaar heeft gemaakt een viertal prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. De rechter-commissaris heeft daarbij een voorlopige formulering van de vragen en van de beantwoording ervan aan de procespartijen voorgelegd. Bovendien heeft zij hen op die datum in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na die datum een standpunt in te nemen over dit voornemen en over de inhoud van de voorgestelde vragen. Op 20 februari 2026 heeft de rechter-commissaris de beschikking genomen. Deze houdt in dat de raadsman op 29 januari 2026 heeft laten weten dat hij zich volledig kan vinden in (de formulering van) de prejudiciële vragen en dat hij er niets aan heeft toe te voegen. Ook blijkt uit de beschikking dat de officier van justitie desgevraagd een extra week heeft gekregen om het standpunt in te dienen, dat dit standpunt op 10 februari 2026 is ingediend en dat de rechter-commissaris naar aanleiding van het standpunt de eerder geformuleerde rechtsvragen op onderdelen heeft aangepast en vervolgens heeft opgenomen in de beschikking. Hiermee is – hoewel partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld om zich over de aanpassingen uit te laten – voldaan aan het bepaalde in art. 553 lid 2 Sv.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.