1 Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is bij arrest van 16 juli 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-001007-22) wegens witwassen (zaak A, onder 2 primair), “medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan” (zaak B, onder 1 én onder 2), “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” (zaak B, onder 3) en “overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.9, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, opzettelijk begaan” (zaak B, onder 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis. Ook heeft het hof beslist over het beslag.
1.2
Er bestaat samenhang met de (ontnemings)zaken 24/02906 en 24/02853. In die zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 26 juli 2024 ingesteld namens de verdachte. S.J. van der Aart, advocaat in Koog aan de Zaan, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt geklaagd over de afwijzing van een aanhoudingsverzoek door het hof. Het tweede middel keert zich tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 in zaak B. Het derde middel bevat de klacht dat het hof een wettelijk niet toegestane combinatie van straffen heeft opgelegd.
1.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging.