1 Overzicht
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 27 september 2023 veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf wegens opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften inkomstenbelasting (IB) 2013-2016, medeplegen van opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften vennootschapsbelasting (Vpb) 2013-2016 en omzetbelasting (OB) 2013-2016 (telkens kwartaal 1) ten name van [A] CV ( [A] CV), medeplegen van opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangifte Vpb 2016 en aangiften OB 2016 (kwartalen 1 t/m 4) ten name van [B] BV ( [B] BV) en opzettelijke verstrekking van onjuiste gegevens (vervalste bankafschriften) aan de fiscus, alles ertoe strekkende dat te weinig belasting werd geheven.
1.2
Namens de verdachte heeft mr. T. Straten, advocaat te Maastricht, vijf cassatiemiddelen ingediend. Volgens middel I heeft het Hof ten onrechte, want onvoldoende gesteund door de bewijsmiddelen, geoordeeld dat de verdachte de inkomsten van [A] CV en [B] BV voor zijn consultantswerk had moeten opgeven in zijn aangiften IB. Middel II stelt dat niet de verdachte, maar iemand anders de aangiften OB en Vpb ten name van [A] CV heeft gedaan en dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte die aangiften heeft gedaan. Middel III betoogt dat de belastingdienst ten onrechte geen rekening heeft gehouden met door [A] en [B] gemaakte kosten en dat daarom niet gezegd kan worden dat hun aangiften Vpb onjuist of onvolledig waren, althans niet dat zij strekten tot te lage belastingheffing. Volgens middel IV volgt uit de bewijsmiddelen niet dat de verdachte de feiten sub 2 en 4 (onjuiste aangiften OB en Vpb ten name van [A] CV) tezamen en in vereniging met een persoon heeft gepleegd, nu [A] CV geen rechtspersoon is. Ten slotte bestrijdt middel V het door de belastingdienst berekende en door het Hof overgenomen totale benadelingsbedrag ad € 604.317.
1.3
Ik concludeer, zo nodig van ambtswege, tot vernietiging van ’s Hofs arrest omdat (i) [A] CV niet vennootschapsbelastingplichtig kan zijn geweest, zodat zonder motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is hoe de verdachte onjuiste aangiften vennootschapsbelasting ten name van [A] CV medegepleegd zou hebben die ertoe strekken dat te weinig belasting geheven wordt, en (ii) zonder motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is hoe de verdachte hetzelfde niet-aangegeven inkomen volledig en rechtstreeks, als ‘economisch eigenaar’, genoten heeft hoewel volgens ’s Hofs arrest tegelijkertijd datzelfde inkomen ook geheel of deels door [A] CV en [B] BV is genoten.
2.
Het onderzoek van de belastingdienst en de veroordelingen in de feitelijke instanties
2.1
De verdachte werkte als zelfstandig consultant arbeids- en procesveiligheid voor diverse opdrachtgevers, met name concerns in Nederland en Duitsland. Hij liet zich via de vennootschappen [A] CV en [B] BV inhuren door het recruitment bureau [C] BV ( [C] ). [A] CV en [B] BV factureerden aan [C] en [C] factureerde aan de opdrachtgevers.
2.2
De verdachte was vanaf 24 augustus 2015 bestuurder/voorzitter van de op 23 september 2011 opgerichte Stichting [J] (de Stichting), die vennoot was in [A] CV, bij de oprichting waarvan - op 1 oktober 2011 - de verdachte volgens zijn verklaring ter zitting ‘betrokken’ was. Hij was daarnaast vanaf 8 januari 2016 bestuurder en enig aandeelhouder van de op die datum opgerichte vennootschap [D] BV (Holding). Alle aandelen in de eveneens op 8 januari 2016 opgerichte [B] BV werden gehouden door Holding, die ook (enig) bestuurder was van [B] .
2.3
In 2016 is de belastingdienst een onderzoek begonnen naar de aanvaardbaarheid van verdachte’s aangiften IB omdat (i) het door hem aangegeven loon uit dienstbetrekking niet strookte met bij de belastingdienst bekende gegevens en (ii) vragen rezen bij door hem opgevoerde aftrekposten. Hij heeft in dat kader mutatieoverzichten opgevraagd van de bankrekeningen van [A] CV en [B] BV. Daaruit bleek dat [C] in de jaren 2012 t/m 2016 in totaal € 917.238,70 aan [A] CV had overgemaakt en in 2016 € 142.248 aan [B] BV. Dit was voor de belastingdienst aanleiding voor een derdenonderzoek bij [C] . [C] heeft desgevorderd zes projectovereenkomsten overgelegd waarin telkens de verdachte wordt genoemd als consultant, [A] CV en [B] BV als leverancier en de betrokken concerns als opdrachtgevers, alsmede 59 facturen die [C] in 2016 ontving van [A] CV en [B] BV voor de door de verdachte uitgevoerde werkzaamheden.
2.4
In maart 2019 besloot de fiscus tot strafrechtelijk onderzoek van de verdachte, [A] CV en [B] BV. Dat onderzoek is uitgemond in vervolging van de verdachte en in een vonnis van 5 juli 2021 van de rechtbank Overijssel waarbij de verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens (1) “opzettelijk een bij belastingwet voorziene aangifte [IB] onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd”, (2 t/m 4) drie maal “medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte [OB en Vpb; [A] CV] onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd”, (5) “medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte [Vpb; [B] BV] onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”, en (6) “ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen, deze opzettelijk onjuist verstrekken, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven”.
2.5
Bij arrest van 27 september 2023, nr. 21-003129-21, heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden op het hoger beroep van de verdachte dezelfde feiten bewezen verklaard. Het medeplegen (feiten 2 t/m 5) is omschreven als “tezamen en in vereniging met een persoon”, dus één persoon, kennelijk de CV resp. de BV, gegeven dat het om kwaliteitsdelicten gaat. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, er rekening mee houdende dat de redelijke termijn voor berechting in zowel eerste aanleg als hoger beroep met circa twee maanden was overschreden.
2.6
Zowel de Rechtbank als het Hof hebben de verdachte ‘fiscaalrechtelijk’ aangemerkt als ‘economisch eigenaar’ van het inkomen ontvangen door [A] CV en [B] BV voor verdachte’s werkzaamheden als veiligheidsconsultant. [C] ’s betalingen aan [A] CV en [B] BV voor verdachte’s werkzaamheden zijn daarom volgens zowel Rechtbank als Hof ten onrechte niet begrepen in verdachte’s aangiften IB. De Rechtbank overwoog daaromtrent als volgt:
“Uit de omstandigheid dat verdachte (middellijk) beherend vennoot van [A] en enig aandeelhouder en bestuurder van [B] is, leidt de rechtbank af dat zowel de zeggenschap over de bedrijfsvoering als het economisch belang, waaronder de verworven gelden uit inkomsten, bij de onderneming van deze vennootschappen volledig rust bij verdachte. Verdachte is – fiscaalrechtelijk gezien – economisch eigenaar. Gelet daarop worden de gelden uit inkomsten van verdachte voor zijn werkzaamheden als consultant, verworven door de vennootschappen, fiscaal betrokken in de inkomstensfeer van de persoon achter de onderneming, te weten verdachte. De door [C] - aan [A] en [B] overgeboekte gelden zijn dan ook ten onrechte niet meegenomen in de aangiften inkomstenbelasting van verdachte.”
Het Hof heeft deze overweging woordelijk overgenomen onder toevoeging van een verwijzing naar de verklaring van de verdachte ter zitting:
“Uit de omstandigheid dat verdachte (middellijk) beherend vennoot van [A] en enig aandeelhouder en bestuurder van [B] is, leidt het hof af dat zowel de zeggenschap over de bedrijfsvoering als het economisch belang, waaronder de verworven gelden uit inkomsten, bij de onderneming van deze vennootschappen volledig rust bij verdachte. Verdachte is – fiscaalrechtelijk – gezien economisch eigenaar. Gelet daarop worden de gelden uit inkomsten van verdachte voor zijn werkzaamheden als consultant, verworven door de vennootschappen, fiscaal betrokken in de inkomstensfeer van de persoon achter de onderneming, te weten verdachte. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte ook verklaard dat hij inkomsten genoot voor zijn werkzaamheden voor [C] . De door [C] aan [A] en [B] overgeboekte gelden zijn dan ook ten onrechte niet meegenomen in de aangiften inkomstenbelasting van verdachte.”
2.7
Volgens de belastingdienst beloopt het totale fiscale nadeel inkomstenbelasting € 325.882 over 2013 t/m 2016 (2013: 84.253; 2014: 103.244; 2015: 78.820; 2016: 59.565).” Die dienst heeft het totale nadeel omzetbelasting ( [A] CV: 2013-2016; [B] BV 2016 (kwartaal 1-4)) berekend op € 145.835 en het totale fiscale nadeel vennootschapsbelasting ( [A] CV: 2013-2016; [B] BV: 2016) op € 132.600.