Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:HR:2026:997

Hoge Raad

Uitspraak
23 juni 2026
Zaaknummer
24/02398
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie

Inhoudsindicatie

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. gebruik maken van vals Frans paspoort en voorhanden hebben van valse Franse identiteitskaart, art. 231.2 Sr. Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 36e.2.b Sv. Had dagvaarding in h.b. moeten worden uitgereikt aan autoriteit van welke zij is uitgegaan, nu verdachte blijkens akte instellen h.b. domicilie heeft gekozen op kantooradres van advocaat en dagvaarding op dit kantooradres is uitgereikt aan medewerker van advocatenkantoor? Belang bij cassatie? Als o.g.v. daartoe ingesteld onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat verdachte niet in Nederland is ingeschreven in BRP, niet in Nederland is gedetineerd, van hem niet feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is en van hem ook niet adres in buitenland bekend is, vindt (zoals volgt uit art. 36e.2.b Sv) betekening van dagvaarding plaats door uitreiking aan autoriteit van welke zij is uitgegaan. Door die uitreiking is dagvaarding rechtsgeldig betekend (vgl. HR:2002:AD5163). Uit stukken kan worden afgeleid dat verdachte t.t.v. betekenen van dagvaarding in h.b. niet was gedetineerd, dat zij niet stond ingeschreven in BRP, dat van haar niet feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was en dat van haar ook niet adres in buitenland bekend was. Uit stukken volgt echter niet dat dagvaarding in h.b. is uitgereikt aan autoriteit van welke zij is uitgegaan. ‘s Hofs kennelijke oordeel dat dagvaarding in h.b. geldig is betekend is daarom, gelet op wat hiervoor is vooropgesteld, niet begrijpelijk. Daaraan doet niet af dat dagvaarding wel is uitgereikt op kantooradres van advocaat dat is vermeld in akte instellen h.b. en in daaraan gehechte schriftelijke bijzondere volmacht van advocaat van verdachte, nu kantooradres van advocaat niet geldt als adres a.b.i. art. 36e.1.b Sv (vgl. HR:2023:1701). Dit hoeft niet tot cassatie te leiden. Als in dit geval in overeenstemming met art. 36e.2.b Sv dagvaarding zou zijn uitgereikt aan autoriteit van welke zij is uitgegaan, dan zou dat niet hebben geleid tot toezending van afschrift van dagvaarding o.g.v. art. 36e.2.b Sv naar adres van verdachte en die uitreiking zou ook niet hebben geleid tot nieuwe poging om dagvaarding alsnog uit te reiken op adres van verdachte. Uit stukken volgt namelijk dat van verdachte pas vanaf 13-7-2025 adres bekend is geworden. In dit geval zou dan wel (gelet op wat uit p-v van tz. in h.b. blijkt en in aanmerking genomen dat verdachte t.t.v. die uitreiking niet was ingeschreven in BRP en niet was gedetineerd in Nederland, en ook niet feitelijke woon- of verblijfplaats van haar in Nederland of adres in buitenland bekend was) gelden dat rechter in h.b. bij afwezigheid van verdachte en door haar o.g.v. art. 279 Sv gemachtigde raadsman, de zaak niet in behandeling zou mogen nemen voordat afschrift van dagvaarding in h.b. was verzonden naar het in akte rechtsmiddel dan wel in schriftelijke bijzondere volmacht vermelde kantooradres van advocaat (vgl. HR:2023:1701). Het komt er dus op neer dat ook als dagvaarding wel o.g.v. art. 36e.2.b Sv zou zijn uitgereikt aan autoriteit van welke zij is uitgegaan, deze de verdachte niet zou hebben bereikt, terwijl vervolgens (afschrift van) dagvaarding bij het in schriftelijke bijzondere volmacht vermelde kantooradres van advocaat terecht zou (moeten) zijn gekomen. In dit specifieke geval heeft verzuim om dagvaarding uit te reiken aan autoriteit van welke zij is uitgegaan (in vergelijking met gang van zaken die uit stukken blijkt en die inhoudt dat dagvaarding aan kantooradres van advocaat is uitgereikt) niet tot een voor verdachte ander resultaat geleid. Verdachte heeft daarom onvoldoende belang bij klacht. Volgt verwerping.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.