Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:HR:2026:903

Hoge Raad

Uitspraak
9 juni 2026
Zaaknummer
24/02047
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie

Inhoudsindicatie

Medeplegen bedrijfsmatige en grootschalige hennepteelt (art. 3.B jo. 11.2 en 11.5 Opiumwet), medeplegen aanwezig hebben van hennep (art. 3.C Opiumwet) en diefstal van stroom (art. 310 Sr). Post-Keskin, getuige die lijdt aan dementie. Heeft verdediging afstand gedaan van ondervragingsrecht van demente getuige en kon hof de verklaringen van getuige voor bewijs gebruiken, terwijl verdediging t.a.v. getuige niet ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 m.b.t. gevallen waarin rechter voor bewijs gebruik wil maken van een door getuige afgelegde verklaring, terwijl verdediging niet behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om t.a.v. getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, vraag of proces als geheel eerlijk is verlopen, gewicht van verklaring, reden voor uitblijven van ondervragingsgelegenheid en bestaan van voldoende compenserende factoren. Verdediging heeft niet ondervragingsrecht m.b.t. getuige kunnen uitoefenen. Hof heeft overwogen dat, nu raadsman te kennen heeft gegeven niet te persisteren bij verzoek tot horen van getuige, verdediging het ondervragingsrecht heeft prijsgegeven. Op grond hiervan heeft hof geoordeeld dat verklaring van getuige voor bewijs kan worden gebruikt. Daarin ligt tevens als oordeel van hof besloten dat het niet gehouden was om, aan de hand van hiervoor genoemde gezichtspunten, te beoordelen of procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces. Oordeel van hof dat verdediging het ondervragingsrecht m.b.t. getuige heeft prijsgegeven en dat verklaring van getuige daarom zonder meer voor bewijs kan worden gebruikt, is niet begrijpelijk. In wat verdediging (mede n.a.v. informatie uit doktersverklaring over lijden van getuige aan dementie sinds 2022 en daarmee verband houdende moeilijkheden bij het beantwoorden van vragen) in haar bericht aan Rh-C en ttz. naar voren heeft gebracht over verzoek tot horen van getuige, komt immers tot uitdrukking dat verdediging onder ogen ziet dat (bieden van gelegenheid tot) stellen van vragen aan getuige in praktische zin geen nut heeft gelet op de bij getuige gebleken geheugenproblemen. Daaruit volgt echter niet dat verdediging geen aanspraak meer maakte op uitoefenen van ondervragingsrecht of, bij ontbreken van behoorlijke en effectieve mogelijkheid om ondervragingsrecht uit te oefenen, op beoordeling van eerlijkheid van proces als geheel. Gelet hierop kon hof verklaring van getuige niet voor bewijs gebruiken, zonder ervan blijk te geven te hebben nagegaan of procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 24/02048 P en met HR:2024:1454.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.