ECLI:NL:HR:2026:870
Hoge Raad
- Uitspraak
- 9 juni 2026
- Zaaknummer
- 23/04749
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
Inhoudsindicatie
Strafrechtelijk onderzoek “Egelantier”. Valsheid in geschrift door in brief die verdachte namens zijn adviesbureau stuurt naar woningcorporatie te vermelden dat zijn adviesbureau geen vergoeding heeft ontvangen van ander bedrijf voor de door woningcorporatie afgesloten derivaten en leningen (art. 225.1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg (o.g.v. uitleg van begrip brief). Bewijsklacht bewijsbestemming van brief. Kon hof oordelen dat brief van verdachte een “geschrift is dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen”? I.v.m. “geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen” is vereist dat het gaat om geschrift waaraan in maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen a.b.i. art. 225 Sr (vgl. HR:2009:BF3286). Hof heeft vastgesteld dat woningcorporatie intern onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van parlementaire enquête en betrokkenheid daarbij van bedrijf van medeverdachten, en dat woningcorporatie de verdachte in dat kader heeft gevraagd om schriftelijke verklaring over relatie tussen bedrijf van medeverdachten en vennootschap van waaruit verdachte zijn advieswerkzaamheden voor woningcorporatie verrichtte. Verder heeft hof vastgesteld dat verdachte de woningcorporatie daarop brief met als onderwerp “verklaring inzake relatie met bedrijf van medeverdachten” heeft gestuurd, waarin hij “valse, onjuiste informatie” heeft gegeven m.b.t. het niet ontvangen van vergoedingen van bedrijf van medeverdachten door zijn adviesbureau. Volgens hof is deze informatie voor woningcorporatie van betekenis geweest om in dit onderzoek haar positie te bepalen. ‘s Hofs op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat sprake is van geschrift waaraan in maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van “geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen” a.b.i. art. 225 Sr, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 23/04756 en 23/04790.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.