ECLI:NL:HR:2026:869
Hoge Raad
- Uitspraak
- 9 juni 2026
- Zaaknummer
- 23/04569
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
Inhoudsindicatie
Aanwezig hebben van 14 gram cocaïne en 10 gram heroïne (art. 2.C Opiumwet) en verkopen van cocaïne en heroïne (art. 2.B Opiumwet). Verbeurdverklaring geldbedragen (€ 7,70 en € 1.255), art. 33a.1.a Sr. Kon hof oordelen dat deze geldbedragen door middel van of uit baten van bewezenverklaarde feiten zijn verkregen? HR: Om redenen vermeld in CAG slaagt middel CAG: Uit stukken volgt dat bij verdachte geldbedragen zijn aangetroffen, dat hij op dag van zijn aanhouding een geringe hoeveelheid heroïne en cocaïne heeft verkocht aan ander en dat deze persoon heeft verklaard al langere tijd drugs bij verdachte te kopen. Hof heeft echter niet vastgesteld dat aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn van meerdere transacties, dat verdachte zich structureel met drugshandel bezighoudt, wat prijs was van de op die dag verkochte verdovende middelen, noch dat kort vóór aanhouding waargenomen transactie bedragen van deze omvang kan verklaren. Hof heeft volstaan met overweging dat geldbedragen zijn verkregen door middel van of uit baten van bewezenverklaard verkopen van cocaïne en heroïne. Nu dat feit slechts betrekking heeft op 1 verkoop van geringe hoeveelheid verdovende middelen (ongeveer 0,7 gram heroïne en 0,9 gram cocaïne), is zonder nadere motivering niet begrijpelijk dat aangetroffen geldbedragen als opbrengst daarvan kunnen worden aangemerkt. Motivering van verbeurdverklaring a.b.i. art. 33a.1.a Sr schiet daarmee tekort. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. verbeurdverklaring van geldbedragen.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.