ECLI:NL:HR:2026:820
Hoge Raad
- Uitspraak
- 2 juni 2026
- Zaaknummer
- 24/03768
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
Inhoudsindicatie
Vuurwerkaanslag op woning in 2020 in Achterberg. Eendaadse samenloop van poging tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachte rade (art. 302.1 jo. 303.1 jo. 45.1 Sr) en opzettelijk ontploffing teweegbrengen met gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel (art. 157.1 en 157.2 Sr) door ’s nachts vuurwerkbom (aan elkaar getapete stukken Cobra 6) door brievenbus van woning te gooien. 1. Post-Keskin en deskundigenbewijs. Afwijzing van ttz. in hoger beroep (voorwaardelijk) gedaan verzoek tot nader deskundigenonderzoek nadat eerder verzoek om deskundigenonderzoek is toegewezen en dat onderzoek ook is uitgevoerd. 2. Bewijsklacht (voorwaardelijk) opzet op zware mishandeling. Ad 1. Zaak wordt erdoor gekenmerkt dat verdediging betrouwbaarheid van (voor verdachte belastend resultaat van) technisch onderzoek ter discussie heeft gesteld, dat zij verzoek heeft gedaan tot doen verrichten van tegenonderzoek, dat dat verzoek is toegewezen en heeft geresulteerd in opnieuw voor verdachte belastende deskundigenverklaring, en dat verdediging vervolgens andermaal verzoek heeft gedaan tot doen verrichten van tegenonderzoek. HR zet uiteen wat toetsingskader is dat rechter moet hanteren bij beoordeling van verzoek om tegenonderzoek nadat eerder verzoek om tegenonderzoek is toegewezen en dat onderzoek ook is uitgevoerd. Eis van eerlijke procesvoering kan meebrengen dat gevolg moet worden gegeven aan verzoek tot tegenonderzoek (vgl. HR:2005:AR7228). Van belang is dat verdachte het recht heeft om betrouwbaarheid van deskundigenverklaring met belastende strekking te onderzoeken. Er mag geen nadere onderbouwing van belang bij zo’n onderzoek worden verlangd. Evenals bij verzoek tot oproepen en horen van deskundige, geldt bij verzoek tot tegenonderzoek dat verdediging moet aanduiden welke onderdelen van belastende deskundigenverklaring zij betwist en/of aan nader onderzoek wil onderwerpen. Daarnaast mag toelichting worden verlangd over reden waarom dit onderzoek bij voorkeur in vorm van tegenonderzoek zou moeten plaatsvinden, mede gelet op andere manieren van toetsing die (mogelijk) in aanmerking kunnen komen (vgl. HR:2025:1711). Is verzoek tot tegenonderzoek gedaan, dan kan rechter (met inachtneming van verondersteld belang bij onderzoek naar betrouwbaarheid van belastende deskundigenverklaring) bij zijn beslissing op verzoek meewegen of doen verrichten van verzocht tegenonderzoek (meest) aangewezen manier is om dat betrouwbaarheidsonderzoek te doen, of dat die toetsing beter op andere manier kan plaatsvinden. In geval als in deze zaak aan de orde (waarin verdediging al in gelegenheid is gesteld om aan de hand van tegenonderzoek de betrouwbaarheid te (doen) onderzoeken van deskundigenverklaring, en waarin verdediging vervolgens verzoek heeft gedaan om door middel van nieuw deskundigenonderzoek de betrouwbaarheid te (doen) onderzoeken van eerste deskundigenverklaring en van resultaten van tegenonderzoek) mag wel nadere onderbouwing van belang bij dat nieuwe deskundigenonderzoek worden verlangd. Uit motivering van dat verzoek zal moeten blijken dat sprake is van voldoende belang bij nieuw onderzoek in het licht van betrouwbaarheid van onderzoek dat al is verricht. Het komt er daarbij o.m. op aan dat verdediging motiveert dat en waarom zij met eerder onderzoek (dat heeft geleid tot tweede deskundigenverklaring) niet behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om betrouwbaarheid van eerste deskundigenverklaring te toetsen. Opvatting dat in deze zaak (waarin deskundige van NFI door verdediging verzocht tegenonderzoek heeft verricht en van dat onderzoek schriftelijk verslag in dossier is gevoegd, terwijl dat verslag voor verdachte belastende strekking heeft) belang van verdachte bij doen verrichten van nader onderzoek, dit keer door NFO, moest worden voorondersteld en niet hoefde te worden onderbouwd, vindt geen steun in het recht. ’s Hofs oordeel dat noodzaak van nader onderzoek door NFO niet is gebleken en dat enkel feit dat verdachte het niet eens is met NFI-rapport onvoldoende onderbouwing vormt voor verzoek, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Hof heeft vastgesteld dat verdachte zwaar vuurwerk door brievenbus van woning heeft gegooid en dat dit vuurwerk daar in hal tot ontploffing is gekomen. Op grond hiervan heeft hof kennelijk geoordeeld dat verdachte bewust aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn gedragingen tot zwaar lichamelijk letsel bij de in bewezenverklaring genoemde personen zouden leiden. Dat oordeel is, v.zv. het betrekking heeft op A, niet zonder meer begrijpelijk omdat uit bewijsvoering volgt dat A t.t.v. ontploffing niet in woning aanwezig was. Dit leidt bij gebrek aan belang niet tot cassatie. Als bewezenverklaring t.a.v. A vervalt, worden aard en ernst van wat verder ten laste van verdachte is bewezenverklaard in hun geheel beschouwd niet wezenlijk aangetast, terwijl ook kwalificatie van bewezenverklaarde ongewijzigd blijft. HR merkt nog op dat ook omstandigheid dat hof de vordering van A als benadeelde partij (deels) heeft toegewezen en ten behoeve van A voor gelijk bedrag een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, niet met zich brengt dat verdachte voldoende belang heeft bij cassatie. Volgt verwerping. CAG (strekking): (partiële) vernietiging t.a.v. onderdeel bewezenverklaring, vordering b.p. en opgelegde schadevergoedingsmaatregel, vrijspraak onderdeel tll. en niet-ontvankelijkverklaring van vordering b.p. Samenhang met 24/00653 J (niet gepubliceerd; art. 80a RO).
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.