Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:HR:2026:177

Hoge Raad

Uitspraak
10 februari 2026
Zaaknummer
24/03021
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie

Inhoudsindicatie

Moord door in 2019 in Kerkrade met mes in borst van zijn ex-partner te steken en haar hals door te snijden, art. 289 Sr. Levenslange gevangenisstraf opgelegd. 1. Is oplegging van levenslange gevangenisstraf in overeenstemming met eisen die art. 3 EVRM stelt als tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling nodig heeft met het oog op voorbereiding op eventuele terugkeer in samenleving? 2. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. 3. Schriftuur benadeelde partij. Vordering b.p. t.a.v. vergoeding van affectieschade. Kan b.p. (oma van slachtoffer) worden aangemerkt als ‘naaste’ a.b.i. art. 6:108.4.g BW? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2025:1114 m.b.t. verenigbaarheid van Nederlandse regeling van oplegging en tul van levenslange gevangenisstraf met eisen die art. 3 EVRM stelt. I.v.m. aanbieden van passende (medische) behandeling en (psychiatrische) zorg aan veroordeelde vindt al in jaar nadat levenslange gevangenisstraf onherroepelijk is geworden, gedragskundige rapportage plaats (vgl. HR:2017:3185). Daarnaast voorziet Nederlandse wetgeving in uiteenlopende mogelijkheden van (psychiatrische) behandeling ter gelegenheid van tul van (levenslange) gevangenisstraf. Verder is van belang dat iedere tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde de mogelijkheid heeft om beslissingen die worden genomen over manier van tul te onderwerpen aan toetsing door (penitentiaire dan wel burgerlijke) rechter. Dit alles brengt met zich dat, ook in geval dat betreffende verdachte (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling nodig heeft, oplegging van levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met eisen die art. 3 EVRM stelt, zoals deze blijken uit rechtspraak EHRM. Enkele omstandigheid dat beslissingen over aanbieden van passende behandeling en zorg pas in de loop van tul van levenslange gevangenisstraf worden genomen en dat het in zoverre bij oplegging van die straf tot op zekere hoogte onzeker is hoe die behandeling en zorg concreet vorm krijgen, leidt daarbij niet tot ander oordeel (vgl. HR:2019:600). Hof heeft levenslange gevangenisstraf opgelegd, gelet op o.m. aard en buitengewone ernst van het door verdachte gepleegde misdrijf en met strafoplegging ook na te streven doel om maatschappij te beveiligen tegen hernieuwd ernstig gewelddadig gedrag van verdachte. Daarbij heeft hof o.m. betrokken eerder gewelddadig gedrag van verdachte, hoog recidiverisico op soortgelijke delicten en omstandigheid dat behandeling i.h.k.v. maatregel van TBS met dwangverpleging dit recidiverisico niet afdoende zal doen afnemen. Bij afweging om niet TBS met dwangverpleging maar levenslange gevangenisstraf op te leggen, heeft hof in aanmerking genomen dat ook bij tul van die straf aan verdachte noodzakelijke (psycho)medische of psychiatrische zorg en behandeling kunnen worden geboden, zo nodig ook buiten inrichting waar straf wordt tenuitvoergelegd. ’s Hofs op deze overwegingen gebaseerde oordeel dat opleggen van levenslange gevangenisstraf aan verdachte niet in strijd is met art. 3 EVRM, getuigt (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2022:714). HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 121, 59, 59 en 121 dagen kan worden toegepast. Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793, inhoudende dat voor toewijsbaarheid van vordering b.p. niet bewijs(minimum)regels van WvSv gelden maar regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Uit wetsgeschiedenis van art. 6:107 en 6:108 BW blijkt dat wetgever tot uitgangspunt heeft genomen dat kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, beperkt is tot personen die geacht mogen worden zeer nauwe band met slachtoffer te hebben. Ruimere kring van gerechtigden zou volgens wetgever de beheersbaarheid van regeling sterk doen afnemen en onvoldoende zekerheid bieden dat vergoeding alleen wordt betaald in gevallen waarin daadwerkelijk sprake is van ernstig verlies. Tot kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade behoort volgens art. 6:107.2.g en 6:108.4.g BW ook ‘andere persoon’ die in zodanig nauwe persoonlijke relatie tot slachtoffer staat, dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Bij die ‘andere persoon’ gaat het om naaste, die niet al in die bepalingen onder a tot en met f is genoemd. Om o.g.v. deze (in wetsgeschiedenis als ‘hardheidsclausule’ aangeduide) bepaling als rechthebbende te worden aangemerkt, moet door die naaste een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij als relevante factoren zijn genoemd intensiteit, aard en duur van relatie (vgl. HR:2026:33). Beantwoording van vraag of b.p. kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, is afhankelijk van informatie die zich doorgaans geheel in domein van b.p. bevindt. Voor verdediging kan het moeilijk zijn om haar betwisting van de door b.p. aangevoerde f&o en bij selectie daarvan gemaakte keuzes, te voorzien van nadere inhoudelijke onderbouwing (vgl. HR:2024:644). In geval waarin b.p. een vordering tot vergoeding van affectieschade indient op de grond dat zij kan worden aangemerkt als zo’n ‘andere persoon’, zal b.p. de stelling dat sprake is van hechte affectieve relatie met concrete gegevens moeten onderbouwen. Als rechter oordeelt dat b.p. daarin niet in voldoende mate is geslaagd of dat verdediging niet in voldoende mate in gelegenheid is geweest vordering te betwisten ligt het (tegen achtergrond van HR:2019:793) in de rede dat vordering b.p. n-o is en b.p. haar vordering bij burgerlijke rechter kan aanbrengen. Hof heeft vastgesteld dat b.p. de grootmoeder is van slachtoffer en dat b.p. tijdens jeugd van slachtoffer was benoemd tot haar voogd. Daarnaast heeft hof overwogen dat b.p. een nauwe en affectieve relatie had met slachtoffer en dat zij veel pijn en verdriet heeft ondervonden en ondervindt door dood van slachtoffer. Bij zijn oordeel over vordering b.p. heeft hof verder tot uitgangspunt genomen dat beperkte kring van gerechtigden aanspraak kan maken op affectieschade en dat het daarbij gaat om partners, ouders en kinderen van overledene en om gevallen waarin sprake is van duurzame zorgrelatie in gezinsverband, zoals bij pleegkinderen of bij kleinkind dat door grootouder wordt grootgebracht. Voorts heeft hof overwogen dat b.p. niet tot kring van gerechtigden behoort die zo’n aanspraak hebben en dat onvoldoende is gebleken van uitzonderlijke omstandigheden op basis waarvan b.p. o.g.v. art. 6:108.4.g jo. 6:108.3 BW vergoeding van affectieschade kan vorderen. ‘s Hofs op deze vaststellingen en overwegingen gebaseerde oordeel dat vordering b.p. tot vergoeding van affectieschade i.v.m. overlijden van het t.t.v. bewezenverklaard feit 42-jarige slachtoffer n-o moet worden verklaard, getuigt in het licht van wetsgeschiedenis van art. 6:107 en 6:108 BW en beperkingen van strafproces die voortvloeien uit wat hiervoor is vooropgesteld, niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, is voor verdere toetsing van dit oordeel in cassatie geen plaats. Volgt verwerping.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.