ECLI:NL:HR:2026:1151
Hoge Raad
- Uitspraak
- 7 juli 2026
- Zaaknummer
- 24/04678
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
Inhoudsindicatie
Overval op bedrijfspand. Medeplegen diefstal met geweld, art. 312.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Redengevendheid van p-v van bevindingen voor bewijs. 2. Feiten en omstandigheden in bewijsvoering die niet blijken uit gebruikte bewijsmiddelen. 3. Redengevendheid van verschillende onderdelen van bewijsvoering voor vaststelling dat verdachte bij overval is betrokken. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Ad 1. In ‘s hofs bewijsoverwegingen ligt als zijn oordeel besloten dat hof de inhoud van p-v van bevindingen, in afwijking van uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van verdediging, betrouwbaar en redengevend heeft geacht. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Responsieplicht van art. 359.2 (tweede volzin) Sv dwingt niet tot nadere motivering en evenmin tot ambtshalve beoordeling van camerabeelden. Ad 2. Uit ‘s hofs bewijsoverwegingen volgt dat hof heeft verwezen naar inhoud van b.m. waaraan het de feiten en omstandigheden heeft ontleend. Enkele omstandigheid dat inhoud van 1 of meer b.m. óók andere conclusie toelaat, brengt (gelet op selectie- en waarderingsvrijheid van feitenrechter) niet mee dat ‘s hofs oordeel onbegrijpelijk is dan wel van nadere motivering had moeten worden voorzien. Ad 3. Hof heeft in zijn uitgebreide bewijsoverwegingen uiteengezet dat uit gebruikte b.m., in onderling verband en in samenhang bezien, redengevende feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid op grond waarvan hof tot oordeel is gekomen dat verdachte zich tezamen met anderen schuldig heeft gemaakt aan tlgd. feit. Volgt verwerping.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.