ECLI:NL:HR:2025:30
Hoge Raad
- Uitspraak
- 21 januari 2025
- Zaaknummer
- 23/00819
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
Inhoudsindicatie
Poging tot zware mishandeling van politieambtenaren, meermalen gepleegd (art. 302.1 jo. 304.1.3 Sr). Vorderingen benadeelde partijen t.z.v. immateriële schade (art. 6:106 BW) en oplegging schadevergoedingsmaatregelen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. aantasting in persoon ‘op andere wijze’. In art. 6:106 BW bedoelde billijkheid geeft rechter bepaalde mate van vrijheid bij bepalen van hoogte van verschuldigde schadevergoeding, maar enkele verwijzing naar billijkheid volstaat niet ter motivering van oordeel dat zich geval voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Ook enkele omstandigheid dat (hoogte van) schadevergoeding niet is weersproken of dat verdediging zich aan oordeel van rechter heeft gerefereerd, volstaat niet. Weliswaar zal rechter, als verdachte vordering b.p. niet (gemotiveerd) betwist, uitgaan van juistheid van daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal vordering in de regel worden toegewezen, maar dat is anders als vordering de rechter onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in wet kan niet worden toegewezen (vgl. HR:2019:1465). Hof heeft vorderingen tot vergoeding van immateriële schade toegewezen. Mede in aanmerking genomen dat uit motivering van zijn oordeel niet kan worden afgeleid op welke in art. 6:106 BW vermelde grond en op welke door hof vastgestelde omstandigheden toewijzing is gebaseerd, is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd. Daarom kan ook oplegging van schadevergoedingsmaatregelen niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). Volgt (partiële) vernietiging t.a.v. vorderingen b.p.’s en oplegging schadevergoedingsmaatregelen en terugwijzing. CAG: anders.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.