ECLI:NL:HR:2025:1774
Hoge Raad
- Uitspraak
- 25 november 2025
- Zaaknummer
- 24/02651
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
Inhoudsindicatie
Economische zaak. OM-cassatie. OM niet-ontvankelijk in vervolging t.z.v. nalaten van handhavend optreden tegen en instemmen met overschrijdingen van uitstootnormen van giftige stoffen in een aan bedrijf verleende vergunning, art. 10.1 Wet Milieubeheer. Strafrechtelijke immuniteit gemeente. Verplicht art. 2 EVRM tot doorbreking van immuniteit? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:1607 m.b.t. strafrechtelijke immuniteit van openbaar lichaam. Art. 2 EVRM beschermt recht op leven. Volgens rechtspraak EHRM omvat deze bepaling mede positieve verplichting van verdragsstaat om passende maatregelen te nemen om leven te beschermen van eenieder die onder zijn rechtsmacht valt. Welke maatregelen passend zijn, hangt af van omstandigheden van geval. Staten hebben daarbij ruime beoordelingsvrijheid. Bij vraag of bij (industriële) activiteiten die ernstige, levensbedreigende, milieuverontreiniging tot gevolg hebben betreffende positieve verplichting o.g.v. art. 2 EVRM in voldoende mate is nageleefd, komt mede betekenis toe aan geheel aan mogelijkheden dat door recht van verdragsstaat wordt geboden om tegen vermeende inbreuken op art. 2 EVRM op te komen en/of hierbij betrokken (rechts)personen (waaronder begrepen publiekrechtelijke rechtspersonen) ter verantwoording te roepen. Daarbij kan, naast politieke verantwoordingsmechanismen, o.m. worden gedacht aan mogelijkheden van bestuurs- of civielrechtelijke aard, terwijl onder omstandigheden ook strafrechtelijke aanpak vereist kan zijn. Rechtspraak van EHRM dwingt er bij huidige stand van zaken niet toe dat in geval als dit (ook) betrokken publiekrechtelijke rechtspersoon strafrechtelijk kan worden vervolgd. Gelet hierop getuigt ’s hofs oordeel dat OM n-o moet worden verklaard in vervolging van gemeente niet van onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk. HR merkt nog op dat, hoewel niet in algemene bewoordingen valt aan te geven welke maatregelen verdragsstaten minimaal moeten nemen om positieve verplichtingen o.g.v. art. 2 EVRM na te leven en bij huidige stand van rechtspraak daaruit ook niet volgt dat publiekrechtelijke rechtspersoon moet kunnen worden vervolgd om aan die verplichtingen te voldoen, wettelijke mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van publiekrechtelijke rechtspersonen en/of feitelijk leidinggevers daarvan wel kan bijdragen aan instrumentarium dat in zijn geheel beschouwd, in het licht van art. 2 EVRM, als adequaat kan worden aangemerkt. Initiatiefwetsvoorstel dat strekte tot opheffing van strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen en hun leidinggevers is in 2015 door Eerste Kamer verworpen. Tegen die achtergrond zal in eerste plaats door wetgever onder ogen moeten worden gezien of alsnog behoefte bestaat mogelijkheden te verruimen om publiekrechtelijke rechtspersonen en/of feitelijk leidinggevers daarvan strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen. Volgt verwerping.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.