ECLI:NL:GHSHE:2024:2413
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Uitspraak
- 7 maart 2024
- Zaaknummer
- 20-000420-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep, Op tegenspraak
Inhoudsindicatie
Van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Uitspraak
-geldbedrag van eur. 268.927,77 (eerste gedachtestreepje tenlastelegging)
Verkoop bitcoins
De verdediging heeft in het hoger beroep voortgeborduurd op het in eerste aanleg gevoerde verweer dat verdachte in 2013 eenmaal en in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht waarmee verdachte respectievelijk € 80.000,-, € 70.000,- en € 155.000,- aan contant geld heeft verworven waardoor de uit de kasopstelling blijkende contante uitgaven verklaarbaar zijn. Waarbij nogmaals is gewezen op de verklaring die [getuige 1] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
De rechtbank heeft omtrent de kasopstelling het navolgende vastgesteld (pg. 4 van het vonnis):
In het proces-verbaal AMB-046 is een eenvoudige kasopstelling uitgewerkt. In deze kasopstelling zijn de contante uitgaven en de legale contante inkomsten van verdachte en zijn vriendin [betrokkene 1] over de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 maart 2019, voor zover die uit het onderzoek bekend zijn geworden, in kaart gebracht.
Vervolgens heeft de rechtbank omtrent het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen het navolgende overwogen (pagina 5 en 6 van het vonnis):
“In de kasopstelling zijn de werkelijke contante uitgaven inclusief de bankstortingen betrokken. Deze contante uitgaven en bankstortingen bedragen in totaal € 285.947,77. Uit de kasopstelling blijkt echter dat verdachte € 17.020,00 beschikbaar had voor het doen van uitgaven. Hierbij zijn betrokken de legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen te waarde van € 59.020,00 verminderd met het aangetroffen contante geldbedrag van
€ 42.000,-. De rechtbank heeft geconstateerd dat het bedrag van € 59.020,00 een optelsom is van alle bedragen die contant zijn opgenomen door verdachte en zijn partner, genoemd op in AMB-010 op pagina 381 en verder van het procesdossier en AMB-022 op pagina 440 en verder van het procesdossier. De rechtbank overweegt dat het bedrag van € 59.020,00,- in werkelijkheid neerkomt op € 59.120,00,-. Omdat het bedrag van € 42.000,- al apart is genoemd bij contante geldbedragen (zie hieronder) is de rechtbank van oordeel dat het ten onrechte ook in de kasopstelling is meegenomen en uitgegaan moet worden van €59.120,00 als beschikbaar voor contante uitgaven.
Het bedrag van € 268.927,77 als uitkomst van de kasopstelling genoemd in de tenlastelegging moet gelet op het voorgaande € 226.827,77,- zijn, welk bedrag verdachte en zijn partner in de periode 1 januari 2014 tot en met 28 maart 2019 meer hebben uitgegeven dan er uit bekende (legale) bronnen bij hen is binnengekomen. Daaruit maakt de rechtbank op dat er een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat ten aanzien van dit bedrag.”
Het hof neemt vorenstaande vaststellingen door de rechtbank over en maakt deze tot de zijne en is met de rechtbank van oordeel dat deze het gerechtvaardigde vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag van € 226.827,77 uit enig misdrijf afkomstig is.
Vervolgens heeft de rechtbank omtrent de verklaring die verdachte hieromtrent heeft afgelegd het volgende overwogen (pagina 9 van het vonnis):
“De rechtbank stelt vast dat verdachte zich in alle vijf verhoren die met hem hebben plaatsgevonden heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting van 17 december 2019 en 25 januari 2021 heeft verdachte wel een verklaring afgelegd.”
en omtrent de opbrengsten (pag. 9 van het vonnis):
“Verdachte heeft verklaard dat hij in 2013 eenmaal en in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht. Met deze verkopen zou verdachte respectievelijk € 80.000,-, € 70.000,- en € 155.000,- aan contant geld hebben verworven.
De rechtbank stelt vast dat verdachte geen enkel bescheid heeft overgelegd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat deze verkopen hebben plaatsgevonden.
Op verzoek van de verdediging is getuige [getuige 1] op 1 juli 2020 gehoord door de rechter-commissaris. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte in februari 2017 bij hem op
bezoek was in Hongarije en verdachte bitcoins aan dhr. [betrokkene 2] heeft verkocht ter waarde van € 70.000,-. Ook heeft [getuige 1] verklaard dat [verdachte] eind 2017 wederom bij hem op bezoek was en verdachte opnieuw bitcoins heeft verkocht aan dhr. [betrokkene 2] ter waarde van
€ 155.000,-. De getuige kon geen contactgegevens dan wel andere concrete, min of meer
verifïeerbare gegevens van dhr. [betrokkene 2] overleggen.”
en (pagina 9 van het vonnis):
“Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte niet een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring verschaft omtrent de herkomst van de geldbedragen nu deze verklaring niet door de bevindingen in het dossier wordt geschraagd, maar ook niet door verdachte wordt voorzien van voldoende en concrete aanknopingspunten aan de hand waarvan nader onderzoek kan plaatsvinden om verdachtes verklaring te verifiëren. Daarvoor is allereerst van belang dat de verklaring van getuige [getuige 1] op een aantal essentiële punten tegenstrijdig is met de verklaring van verdachte op de zitting van 17 december 2019. Verdachte heeft verklaard dat hij in 2013 samen met een vriend bitcoins van [getuige 1] heeft gekocht en in 2017 deze bitcoins weer via [getuige 1] heeft verkocht, waarbij hij de bitcoins op naam van [getuige 1] zou hebben laten schrijven en [getuige 1] toen de waarde contant zou hebben uitbetaald. [getuige 1] verklaart dat verdachte in 2016 heeft gezegd dat hij bitcoins had en dat hij geen bitcoins van verdachte heeft gekocht, maar dat de verkoop van bitcoins aan iemand anders bij hem thuis heeft plaatsgevonden, waarbij die andere persoon het geld heeft betaald. De stelling van de verdediging dat de verklaring van verdachte onjuist zou zijn opgenomen in dat proces-verbaal, volgt de rechtbank zonder nadere onderbouwing- die ontbreekt- niet. Het zou dan niet één enkele verspreking betreffen, maar drie punten waarop verdachte iets fundamenteel anders heeft verklaard dan [getuige 1] . De verklaring van verdachte dat hij in 2013 bitcoins zou hebben verkocht tegen een waarde van € 80,000,-, hetgeen hij in contanten zou hebben ontvangen, is verder geenszins onderbouwd. Verder stelt de rechtbank vast dat de verklaring van verdachte dat hij in 2017 tweemaal bitcoins heeft verkocht, ook wanneer van de verklaring van [getuige 1] zou worden uitgegaan, op geen enkele wijze is te verifiëren.”
Het hof neemt vorenstaande overwegingen van de rechtbank over, maakt deze tot de zijne en is op grond daarvan van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte opbrengsten uit de verkoop van bitcoins heeft verkregen.
De rechtbank heeft verder omtrent een aantal in de kasopstelling opgenomen contante uitgaven nog het volgende vastgesteld en overwogen.
-contante opwaardering van kaarten van casino [bedrijf 1] (pagina 10 van het vonnis):
“Ten aanzien van de opwaardering van kaarten van het casino [bedrijf 1] overweegt de rechtbank dat uit het dossier blijkt dat verdachte in totaal voor een bedrag van € 21.485,- contant heeft ingelegd op vijf casinokaarten, met onder andere coupures van € 500,- en € 200,-. Uit het dossier blijkt dat de ingelegde contanten niet afkomstig kunnen zijn geweest van eventueel in het casino behaalde winsten. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding om deze post uit te sluiten van de kasopstelling.
Het hof neemt de overweging over en maakt deze tot de zijne en overweegt aanvullend.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging ter betwisting dat deze contante uitgaven door verdachte zijn gedaan nog verwezen naar de verklaring van de getuige [getuige 2] , operationeel manager bij [bedrijf 1] , bij de raadsheer-commissaris van dit hof. Uit die verklaring zou volgen dat het onwaarschijnlijk is dat verdachte met vijf casinokaarten tegelijkertijd heeft gespeeld en dat het derhalve niet aannemelijk is dat de contante uitgave van € 21.485,- alleen door verdachte op die kaarten is ingelegd.
Het hof volgt de verdediging niet in deze stelling. Weliswaar heeft [getuige 2] tijdens genoemd verhoor verklaard dat het niet handig is om met vijf casinokaarten tegelijkertijd te spelen maar dat laat naar het oordeel van het hof onverlet dat verdachte wel alleen het bedrag van € 21.485 op die kaarten heeft ingelegd mede nu aanwijzingen ontbreken dat daarop ook door anderen zou zijn ingelegd. Met de rechtbank is het hof derhalve van oordeel dat deze contante uitgave in de kasopstelling dient te worden betrokken.
-contante betalingen aan [bedrijf 2].
De rechtbank heeft omtrent de contante betalingen aan [bedrijf 2] het navolgende vastgesteld (pagina 10 van het vonnis):
“Ten aanzien van de contante betalingen aan [bedrijf 2] heeft de rechtbank vastgesteld dat het dossier diverse stortingsbewijzen en bankafschriften van [bedrijf 2] bevat. Op deze stortingsbewijzen is telkens de naam van verdachte geschreven. De stortingsbewijzen dateren uit de periode waarin de facturen volgens [bedrijf 2] zijn betaald. Bovendien stelt de rechtbank vast dat twee van de stortingsbewijzen overeenkomen met twee facturen, te weten het stortingsbewijs van 20 maart 2018 met een gestort bedrag van € 14.450,-, pagina 1247 van het procesdossier, en het stortingsbewijs van 25 mei 2018, pagina 1244 van het procesdossier.”
Omtrent de verklaring van verdachte heeft de rechtbank overwogen (pagina 10 van het vonnis):
“De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij geen andere facturen zou hebben betaald dan degene die per bank is voldaan, gelet op het voorgaande dan ook niet geloofwaardig. De contante betalingen aan [bedrijf 2] worden derhalve terecht betrokken in de kasopstelling.”
Het hof neemt vorenstaande overwegingen over maakt deze tot de zijne en betrekt deze contante uitgaven - anders dan de verdediging heeft gesteld - in de kasopstelling.
-contante betaling aan [bedrijf 3]
De rechtbank heeft omtrent de contante betaling aan [bedrijf 3] het navolgende overwogen (pagina 10 van het vonnis):
“De rechtbank overweegt ten aanzien van de factuur van [bedrijf 3] dat deze factuur zoals gesteld door de raadsman, is aangetroffen in de administratie van [bedrijf 4] . De contante betaling van deze factuur kan volgens de rechtbank niettemin worden meegenomen in de kasopstelling, omdat van de inkomsten van [bedrijf 4]
tevens een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat.”
Het hof neemt vorenstaande overwegingen over maakt deze tot de zijne en betrekt deze contante uitgave – anders dan de verdediging heeft gesteld - in de kasopstelling.
-contante betalingen van de [Bedrijf 15]
De rechtbank heeft omtrent de contante uitgave aan [Bedrijf 15] het navolgende overwogen (pagina 10 van het vonnis):
“Het dossier bevat slechts twee girale beta1ingen voor de huur van het voertuig, terwijl de overeenkomst voor langere duur is afgesloten. De rechtbank is van oordeel dat, nu enige aanwijzing van andere girale betalingen ontbreekt, het niet anders kan dan dat de overige huurbetalingen contant zijn verricht en sluit om die reden deze post niet uit van de
kasopstelling.”
Het hof neemt vorenstaande overwegingen over maakt deze tot de zijne en betrekt deze contante uitgave – anders dan de verdediging heeft gesteld - in de kasopstelling.
Resumerend komt het hof gelet op het vorenstaande met de rechtbank tot een bewezenverklaring van het witwassen van een geldbedrag van € 226.927,77, onder verwerping van het andersluidende standpunt van de verdediging.
- geldbedragen van € 42.000,- en € 45.440,- (tweede en derde gedachtestreepje tenlastelegging)
Ten aanzien van het bedrag van € 42.000,- is het hof met de rechtbank (pag. 5 van het vonnis) van oordeel dat nu dit bedrag apart in de tenlastelegging is opgenomen, dit ten onrechte in de kasopstelling (hof: zie hiervoor) is meegenomen. Met de rechtbank haalt het hof dit bedrag uit die kasopstelling.
De rechtbank heeft omtrent het bedrag van € 42.000,- het volgende vastgesteld (pag. 5 van het vonnis):
“Tijdens een doorzoeking in de woning van de ouders van verdachte werd een kluissleutel aangetroffen van kluisnummer [kluisnummer] bij [locatie] (proces-verbaal AMB-039). In de kluis werd een contant geldbedrag aangetroffen van in totaal
€ 42.000,- in 84 biljetten van € 500,-. de moeder van verdachte, [getuige 6] , verklaarde dat het geld van verdachte is en hij haar heeft gevraagd om het bedrag voor hem te bewaren. Ook verklaarde zij dat verdachte geen duidelijk antwoord had gegeven op haar vraag waar het geld vandaan kwam.”
De rechtbank heeft omtrent het bedrag van geldbedrag van € 45.440,- het volgende vastgesteld (pag. 5 van het vonnis):
“Uit proces-verbaal AMB-036 blijkt dat tijdens een doorzoeking van de woning gelegen aan de [adres 5] , de verblijfplaats van verdachte, op verschillende plaatsen een contant geldbedrag werd aangetroffen van in totaal € 45.440,- van coupures van verschillende groottes, waaronder coupures van € 500,-. In een tas die achter enkele dozen en koffers stond werd een geldbedrag van € 40.740,- aangetroffen. Het resterende bedrag werd aangetroffen op andere plekken in de woning en in de Volkswagen Golf waarvan verdachte op dat moment gebruik maakte.”
Omtrent het vermoeden van witwassen van de bedragen van € 42.000,- en € 45.440,- heeft de rechtbank het volgende overwogen (pag. 5 van het vonnis):
“De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in doorgaans grote coupures, terwijl coupures van € 500 in het normale betalingsverkeer een zeldzaamheid zijn (ECLI:NL:RBMNE:2015:1838). De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van deze bedragen ook een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen bestaat.”
Het hof neemt vorenstaande vaststellingen door de rechtbank over en maakt deze tot de zijne en is met de rechtbank van oordeel dat deze het gerechtvaardigde vermoeden rechtvaardigen dat voormelde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Ook ten aanzien van de bedragen van € 42.000,- en € 45.440,- heeft de verdachte gesteld dat deze afkomstig zijn uit de verkoop van bitcoins.
Het hof verwijst naar hetgeen de rechtbank daarover hiervoor (ten aanzien van het geldbedrag van € 226.827,77) heeft overwogen, welke overwegingen als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd op grond waarvan de verklaring van verdachte eveneens door het hof niet geloofwaardig wordt bevonden en het hof met de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan zijn dan dat deze bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
Aanvullend overweegt het hof dat de verdediging in het hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat de overweging van de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid is dat coupures van € 500,- - kort gezegd – in het criminele circuit gangbaar zijn, achterhaald is en heeft daartoe verwezen naar een conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2011:BQ4293) en een arrest van dit hof (ECLI:NL:GHSHE:2012:BV6341).
Het hof volgt de verdediging niet in dit standpunt nu de rechtbank niet alleen heeft vastgesteld dat het om coupures van € 500,- ging maar tevens dat het om een groot bedrag in contanten ging en het de verklaring van de verdachte omtrent de herkomst (uit de verkoop van bitcoins) niet geloofwaardig heeft bevonden.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.