ECLI:NL:GHDHA:2026:2238
Gerechtshof Den Haag
- Uitspraak
- 8 juli 2026
- Zaaknummer
- 22-003380-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Beslissing na terugwijzing Hoge Raad op vordering benadeelde partij over affectie-en schokschade. Sprake van een langdurige hechte LAT-relatie, zodat benadeelde partij als naaste wordt aangemerkt (in de zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW).
Uitspraak
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) opgelegd. Verder is een beslissing genomen op de vordering tot ontzetting van de verdachte uit het recht om het beroep uit te oefenen van beroepschauffeur, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
In hoger beroep heeft het hof de verdachte bij arrest van 16 juli 2024 ter zake van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is aan de verdachte opgelegd de tbs-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994. Tot slot zijn er beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals nader omschreven in het arrest van het hof van 16 juli 2024.
Tegen dat arrest is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld.
Bij arrest van 11 november 2025 heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van € 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor vergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij].
De Hoge Raad overwoog (onder meer):
“3.5
Het hof heeft vastgesteld dat de benadeelde partij niet als levensgezel in de zin van
artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder b, BW kan worden beschouwd, omdat zij niet duurzaam
met het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde, maar dat zij wel in een
‘LAT-relatie’ stond met het slachtoffer. Volgens het hof heeft zij ‘daarmee’ in voldoende
mate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de
zin van artikel 6:108 lid 4, aanhef en onder g, BW kan worden aangemerkt.
Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat de onder 3.2.2
weergegeven bijlage van het ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij
weliswaar inhoudt dat sprake was van een ‘hechte en duurzame’ LAT-relatie tussen de
benadeelde partij en het slachtoffer, maar dat de daaraan door de benadeelde partij ten
grondslag gelegde stellingen door de verdediging zijn betwist onder verwijzing naar het
ontbreken van stukken waaruit dit blijkt. Bij die stand van zaken had het hof aan de hand
van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en
omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden - in het bijzonder de
onderbouwing door de benadeelde partij van de in de wetsgeschiedenis bedoelde duur en
hechtheid van de relatie - in voldoende mate zijn komen vast te staan.
3.6
Het cassatiemiddel slaagt. Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f lid 1
van het Wetboek van Strafrecht voorziene maatregel ten behoeve van de benadeelde partij
niet in stand kan blijven (vgl. HR 18juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901).
In de omstandigheid dat het hof – in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, rechtsoverweging 3.9 – bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van schokschade rekening heeft gehouden met de hoogte van de vergoeding van de affectieschade, ziet de Hoge Raad aanleiding om de zaak ook terug te wijzen ten aanzien van de beslissing over de vergoeding van schokschade.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de
vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] voor zover daarin een bedrag van
€ 17.500,- voor vergoeding van affectieschade en een bedrag van € 25.000,- voor
vergoeding van schokschade is begrepen en de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [de benadeelde partij];
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien van de
beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] ter zake van
affectieschade en schokschade en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel
ten behoeve van [de benadeelde partij] opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.”
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.