Naar hoofdinhoud

ECLI:NL:GHDHA:2026:1554

Gerechtshof Den Haag

Uitspraak
30 april 2026
Zaaknummer
22-001425-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep

Inhoudsindicatie

In de woning van de verdachte werd in een afgesloten meterkast materiaal bevattende metamfetamine aangetroffen. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben in de zin van de Opiumwet is vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen, althans dat hij bewust de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid ervan heeft aanvaard. De verdachte heeft al tijdens zijn eerste verhoor bij de politie verklaard dat de aangetroffen verdovende middelen niet van hem zijn en dat zijn vriend over een reservesleutel van zijn woning beschikte en ook wist dat verdachte de sleutel van de meterkast in zijn keukenla bewaarde. Vastgesteld is dat die vriend een paar uur ervoor, terwijl verdachte aan het werk was, enige tijd in de woning van verdachte was. Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in zijn woning en evenmin dat hij bewust de aanmerkelijke kans op de aanwezigheid ervan heeft aanvaard. Vrijspraak volgt. Ook het impliciet subsidiair het in artikel 10, eerste lid van de Opiumwet als overtreding strafbaar gestelde handelen in strijd met artikel 2, onder C van de Opiumwet tenlastegelegde kan niet worden bewezen nu verdachte zich geen rekenschap behoefde te geven van de aanwezigheid van de in de meterkast aangetroffen verdovende middelen, zodat de aanwezigheid daarvan de verdachte niet valt te verwijten. Er is dan ook geen sprake van verwijtbare onwetendheid, zodat de verdachte ook hiervan behoort te worden vrijgesproken.

Uitspraak

Lees de hele uitspraak met een gratis account

Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.