ECLI:NL:GHARL:2026:4701
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Uitspraak
- 17 juli 2026
- Zaaknummer
- 21-005010-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Het hof heeft een verdachte wegens poging tot doodslag en diefstal in vereniging veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren. Het hof heeft tevens de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen. Het hof acht de verklaringen van aangeefster betrouwbaar en heeft het noodweer-verweer verworpen.
Uitspraak
Beslag in de zaak met parketnummer 16-147707-22
Onttrekking aan het verkeer
Onder verdachte is een keukenmes en een lachgastank in beslag genomen.
Het hof zal het keukenmes onttrekken aan het verkeer omdat het bewezenverklaarde is begaan met behulp van het keukenmes, terwijl dat mes van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.
Het hof zal de lachgastank eveneens onttrekken aan het verkeer omdat het bewezenverklaarde is begaan onder invloed van deze drugs en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
Teruggave rechthebbende(n)
Het hof zal de teruggave van de inbeslaggenomen kleding aan de redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken persoon gelasten.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 12.575,45 ingediend, bestaande uit een bedrag van € 2.575,45 aan materiele schade en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 3.250,68.
De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.
Het hof oordeelt als volgt.
Materiele schade
Eigen risico
De benadeelde vordert in totaal een bedrag van € 770,00 aan eigen risico met betrekking tot de ziektekostenverzekering over de jaren 2022 en 2023. Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde als gevolg van verdachtes handelen haar eigen risico heeft moeten betalen voor de jaren 2022 en 2023. De benadeelde partij heeft de posten voldoende onderbouwd in de toelichting op de vordering tot schadevergoeding. Dit deel van de vordering wordt volledig toegewezen.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat de benadeelde partij ten tijde van het incident zwanger was en de kosten voor het eigen risico daardoor toch al moest maken. Op 15 juni 2022 had de benadeelde partij de kosten voor het eigen risico nog niet gemaakt zodat deze kosten in een rechtstreeks verband staan met verdachtes handelen.
Eigen bijdrage voor het blijf-van-mijn-lijfhuis
De benadeelde vordert een bedrag van € 681,06 voor de eigen bijdrage bij de opvang in het blijf-van-mijn-lijfhuis. Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde als gevolg van verdachtes gewelddadige handelen een veilig plek heeft gezocht in de vorm van het wonen in een blijf-van-mijn-lijfhuis. Naar het oordeel van het hof is er dan ook sprake van causaal verband. Het hof zal dit deel van de vordering toewijzen.
Reiskosten
De benadeelde vordert een bedrag van € 263,71 voor een NS-abonnement. Aangeefster is na het onderhavige gewelddadige incident gaan wonen in een blijf-van-mijn-lijfhuis, moest om die reden noodgedwongen verhuizen waardoor ze op grote afstand van haar familie, de dokter en het ziekenhuis kwam te wonen. Hierdoor heeft ze op verzoek van haar bewindvoerder een NS-abonnement afgesloten teneinde de reiskosten zoveel mogelijk te beperken. Naar het oordeel van het hof bestaat er voldoende causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en abonnement, zodat het hof deze kosten zal toewijzen.
Kleding
De benadeelde vordert in totaal € 340,00 aan kledingkosten, bestaande uit € 130,00 voor een trainingspak, waarvan ze te ten tijde van het incident de broek droeg, en € 210,00 voor een boxpakje voor haar zoontje.
De rechtbank zal het gevorderde bedrag voor deze schadepost deels toewijzen, nu deze deels betrekking heeft op de kleding die de benadeelde partij ten tijde van het feit aan had, en waarvan uit het dossier volgt dat die kleding (broek) als gevolg van het bewezenverklaarde onbruikbaar is geworden. Gelet op het feit dat niet het gehele trainingspak, maar alleen de broek onbruikbaar is geworden maakt het hof gebruik van haar schattingsbevoegdheid. Het hof schat deze schadepost op € 30,00. Het hof wijst het overige deel van de vordering af.
Het hof zal eveneens de vordering ten aanzien van de kleding van haar zoontje afwijzen. De benadeelde partij heeft onvoldoende onderbouwd dat de kleding van haar zoontje door het bewezenverklaarde is beschadigd of onbruikbaar is geworden. Dit blijkt niet uit het dossier en is ook niet op andere wijze onderbouwd.
Littekencrème
Het hof zal het gevorderde bedrag van € 220,68 voor de schadepost Litteken crème
Biodermal toewijzen. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij een groot litteken op haar been heeft overgehouden aan het geweldsincident. Uit de toelichting op het verzoek tot
schadevergoeding volgt dat de benadeelde partij twaalf maanden littekencrème heeft
gebruikt, ter verzorging van dat litteken. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij deze kosten heeft gemaakt als gevolg van het
bewezenverklaarde.
Het hof komt daarmee in totaal op € 1.965,45 aan materiële schadevergoeding.
Eigen bijdrage verhuiskosten
Het hof zal de gevorderde eigen bijdrage bij de verhuiskosten ad € 300,00 die gemaakt zijn in verband met de verhuizing van het blijf-van-mijn-lijfhuis naar een eigen woning afwijzen wegens het ontbreken van voldoende causaal verband.
Immateriële schade
De gevorderde immateriële schade ligt op grond van het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en sub b BW voor toewijzing gereed, omdat de benadeelde partij door het gepleegde geweld lichamelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij is door verdachte, haar ex-partner, onder andere tweemaal met een mes gestoken waarbij de benadeelde letsel aan haar been heeft opgelopen waarvan het litteken blijvend is. Uit de onderbouwing van de vordering is duidelijk geworden dat het geweldsincident naast lichamelijk letsel ook psychisch leed met zich heeft gebracht. Om met de psychische gevolgen om te gaan staat de benadeelde partij tot op heden onder behandeling van een psycholoog.
Gebruik makend van de schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 BW schat het gerechtshof de hoogte van de immateriële schade, gelet op de motivering en de onderbouwing van de immateriële schadepost en wat in vergelijkbare gevallen aan immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, op € 7.000,00. Het hof zal de vordering tot dit bedrag toewijzen.
Voor het overige verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk. Het hof kan niet vaststellen of de gehele door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade direct is veroorzaak door het handelen van verdachte op 15 juni 2022.
Het totaalbedrag van € 8.965,45 zal worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente
vanaf 15 juni 2022.
Kostenveroordeling
Gelet op het bovenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op € 50,00 en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Afwijzing verzoek tot schorsing of opheffen voorlopige hechtenis
De raadsvrouw heeft verzocht het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen dan wel de voorlopige hechtenis te schorsen.
Het hof wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af, gelet op de bewezenverklaring en de straf die in hoger beroep aan verdachte wordt opgelegd.
Het verzoek tot schorsing wordt eveneens afgewezen nu door de verdediging geen persoonlijke omstandigheden zijn aangevoerd - anders dan dat de detentie verdachte bijzonder zwaar valt - ter onderbouwing van het schorsingsverzoek waardoor een belangenafweging niet mogelijk is en het algemeen belang van voortduring van de voorlopige hechtenis moet prevaleren.
Wetsartikelen
De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 36b, 36c, 36f, 38v, 38w, 45, 57, 63, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.