ECLI:NL:GHARL:2024:3109
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Uitspraak
- 1 mei 2024
- Zaaknummer
- 21-001039-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van afdreiging. Het hof acht de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden in beginsel passend, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn matigen. Gelet op het voorgaande, is het hof van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Het hof wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot wijst het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf af, nu het hof reeds in de zaak van verdachte met parketnummer 21-000751-18 in plaats van een bevel tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 maand, een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 30 dagen heeft bevolen.
Uitspraak
Lees de hele uitspraak met een gratis account
Alle rechtsoverwegingen, de toegepaste wetsartikelen en de gerelateerde uitspraken.