1 Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Samengevat weergegeven heeft de verdediging daartoe aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] herhaaldelijk onjuist zijn vastgelegd in processen-verbaal. Er is volgens de verdediging sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij met grove veronachtzaming het recht van de verdachte op een eerlijk proces is aangetast. Daarbij zijn er volgens de verdediging aanknopingspunten dat er sprake is van doelbewust handelen.
Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte in de zaaksdossiers Ararat en Willich, omdat juist in deze zaken de door de verdediging geconstateerde discrepanties tussen de audio-fragmenten van de verhoren van februari en april 2026 en de processen-verbaal waarin die verhoren zijn gerelateerd het meest aanwezig zijn terwijl die discrepanties op essentiële onderdelen van zijn verklaring zien.
Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht om uitsluiting van alle verklaringen van [medeverdachte 1] afgelegd vanaf februari 2026, omdat de wijze waarop deze verklaringen zijn vastgelegd en verwerkt een aanzienlijke schending van het recht op een eerlijk proces opleveren als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaten-generaal (hierna: de advocaat-generaal) hebben zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een vormverzuim en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is.
Oordeel van het hof
Wettelijk kader
Op grond van het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het hof, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:
de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;
de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit;
het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
Daarbij moet het hof rekening houden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Is in deze zaak sprake van een (onherstelbaar) vormverzuim?
De verdediging stelt dat de processen-verbaal van beide verhoren in 2026 een beeld schetsen waarbij het lijkt alsof medeverdachte [medeverdachte 1] uit zichzelf verklaart, terwijl uit de audiobestanden blijkt dat in werkelijkheid de antwoorden hem door de verbalisanten worden aangereikt. Ook stelt de verdediging dat de politie evident ontlastende verklaringen niet heeft opgenomen in de processen-verbaal, en er ook overigens op meerdere punten sprake is van verkeerde verslaglegging.
Het hof stelt vast dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] zoals die is opgenomen in de processen-verbaal, niet woordelijk overeenkomt met de verklaring zoals die blijkt uit de uitgeluisterde audiobestanden. Op onderdelen is de verklaring van [medeverdachte 1] samengevat of verkort weergegeven. Dit is echter niet in strijd met enige rechtsregel, en dit levert op zichzelf dus ook geen (onherstelbaar) vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Uit de door de verdediging genoemde voorbeelden blijkt niet dat de verklaring van [medeverdachte 1] door de samenvatting of verkorte weergave inhoudelijk niet juist is weergegeven. Evenmin is gebleken dat de verbalisanten hem antwoorden hebben aangereikt of in de mond gelegd, dat zij verklaringen die evident ontlastend zijn voor de verdachte niet hebben opgenomen, of dat de verklaring van [medeverdachte 1] op enig andere wijze onjuist en in strijd met de strekking van zijn verklaring is vastgelegd in de processen verbaal. Dit betekent dat er geen sprake is van een vormverzuim.
Ten overvloede overweegt het hof dat zelfs als er wel sprake zou zijn van een vormverzuim, er geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, zoals de wet vereist. De audioverhoren van [medeverdachte 1] zijn immers ter beschikking van de verdediging gesteld, de verdediging heeft deze uitgeluisterd en audiofragmenten geselecteerd die op zitting zijn beluisterd en vergeleken met de opgemaakte processen-verbaal van die verhoren. Ook is [medeverdachte 1] als getuige op zitting gehoord over de verklaring die hij heeft afgelegd tegenover de politie. Zo er al sprake zou zijn van een vormverzuim, dan is dat hiermee hersteld. De verdediging is daarmee immers in de gelegenheid gesteld om verweer te voeren over de wijze waarop de verhoren hebben plaatsgevonden en zijn vastgelegd en de gevolgen daarvan voor het proces van waarheidsvinding.
Uit het voorgaande volgt dat het verweer van de verdediging wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is in alle zaaksdossiers ontvankelijk in de vervolging.